ECLI:NL:PHR:2008:BC7905
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden
De schuldenaar verzocht de rechtbank Zutphen om toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd op 19 december 2006 afgewezen omdat hij niet te goeder trouw was bij het ontstaan van zijn schulden. De schuldenaar had een aanzienlijke schuldenlast, gaf geen eenduidige verklaring over het gebruik van geleende gelden en had gedurende meer dan tien jaar telkens nieuwe leningen afgesloten om zijn levensstijl te financieren. Het gerechtshof Arnhem bekrachtigde dit vonnis bij arrest van 22 februari 2007.
De schuldenaar stelde in cassatie dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met zijn feitelijke situatie, waaronder de verzorging van zijn gezin en het normale financiële verkeer binnen een gezin. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste wettelijke maatstaf had toegepast en dat de feitelijke waardering van het hof niet op juistheid kan worden getoetst in cassatie. Ook de klacht dat het hof onjuist had vastgesteld dat de schuldenaar opnieuw gebruik had gemaakt van kredietfaciliteiten werd verworpen omdat de feiten zoals vastgesteld door het hof bindend zijn in cassatie.
Verder stelde de schuldenaar dat het hof de opzet van de WSNP miskende, maar de Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht de wettelijke criteria van artikel 288 lid 2 Fw Pro had toegepast. De mogelijkheid van tussentijdse beëindiging van de regeling staat los van de toelatingscriteria. De Hoge Raad concludeerde dat het beroep in cassatie ongegrond is en verwierp het.
Deze uitspraak bevestigt dat het niet te goeder trouw ontstaan van schulden een geldige grond is voor weigering van toelating tot de schuldsaneringsregeling en benadrukt de zorgvuldige toetsing van het bestedingspatroon en de inspanningen van de schuldenaar.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden.