ECLI:NL:PHR:2008:BC7910
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beïnvloeding verklaringsvrijheid getuige onder art. 285a Sr en juiste rechtsopvatting
De zaak betreft de cassatie tegen een vrijspraak door het Gerechtshof te 's-Gravenhage van verdachte die werd beschuldigd van het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een getuige om een verklaring af te leggen, zoals strafbaar gesteld in artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof had geoordeeld dat voor een bewezenverklaring vereist is dat de getuige daadwerkelijk in zijn verklaringsvrijheid is belemmerd, hetgeen volgens de Procureur-Generaal een onjuiste rechtsopvatting is. De Hoge Raad bevestigt dat de wet geen eis stelt dat de beïnvloeding ook daadwerkelijk effect moet hebben gehad, maar dat het voldoende is dat de uiting kennelijk bedoeld was om de verklaringsvrijheid te beïnvloeden.
Feiten betreffen een telefoongesprek waarin verdachte aan een getuige de woorden toevoegt dat hij zijn mond moet houden, wat volgens de Procureur-Generaal de vrijheid van de getuige om naar waarheid te verklaren kan beïnvloeden. Het hof had echter vrijspraak gegeven omdat niet vaststond dat de getuige zich daadwerkelijk belemmerd voelde.
De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg strijdig is met de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling waarbij de intentie van de verdachte en de kennelijke bedoeling tot beïnvloeding centraal staan, zonder dat daadwerkelijke belemmering vereist is.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting op basis van de juiste uitleg van artikel 285a Sr.