ECLI:NL:PHR:2008:BC8786
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad wijst herzieningsverzoek op grond van niet-nieuwe feiten af
Aanvraagster werd door de politierechter te Middelburg veroordeeld wegens het opzettelijk verzwijgen van gegevens in het kader van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Na voltooiing van de opgelegde werkstraf diende zij een verzoek tot herziening in bij de Hoge Raad, gebaseerd op een latere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die een andere feitelijke beoordeling gaf over het al dan niet voeren van een gezamenlijke huishouding.
De Hoge Raad onderzocht of de stukken die in de bestuursrechtelijke procedure waren ingebracht, maar niet in het strafdossier voorkwamen, als novum konden worden aangemerkt. Uit de analyse bleek dat deze stukken feitelijk niet nieuw waren, aangezien de feiten waarop zij betrekking hadden al ter terechtzitting bij de politierechter aan de orde waren geweest.
De Raad concludeerde dat het verschil in oordeel tussen de bestuursrechter en de strafrechter niet automatisch een grond voor herziening vormt. De stukken wekten geen ernstig vermoeden dat, indien zij bij de strafrechter bekend waren geweest, dit tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of een lichtere straf had geleid.
Daarom werd het verzoek tot herziening afgewezen en bleef het vonnis van de politierechter onherroepelijk. De zaak benadrukt de strikte criteria voor herziening op grond van een novum en het belang van het onderscheid tussen feitelijke en waarderingsverschillen tussen bestuurs- en strafrechtelijke instanties.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen omdat de aangevoerde omstandigheden geen nieuw bewijs vormen dat tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou leiden.