ECLI:NL:PHR:2008:BC9406
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beklag tegen machtiging tot vervreemding in beslagzaak na sepot
In deze zaak ging het om het beklag van klager tegen de inbeslagname en latere verkoop van dieren wegens vermeende overtreding van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. De rechtbank verklaarde het beklag niet ontvankelijk omdat het klaagschrift te laat was ingediend na het einde van de vervolging, zoals zij dat interpreteerde.
De Hoge Raad oordeelde dat een sepot geen vervolging inhoudt en dat de termijn voor het indienen van een klaagschrift pas gaat lopen na het einde van een daadwerkelijke vervolging. Omdat in deze zaak geen vervolging was ingesteld, was de termijn niet overschreden. Echter, het beklag was gericht tegen een machtiging tot vervreemding van de inbeslaggenomen dieren, waartegen op grond van art. 552a lid 1 Sv geen beklag mogelijk is.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het beklag. De procedure werd daarmee beëindigd zonder inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift.
Uitkomst: Het beklag tegen de machtiging tot vervreemding van de inbeslaggenomen dieren werd niet ontvankelijk verklaard.