ECLI:NL:PHR:2008:BC9861
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt draagkrachtberekening man bij alimentatie na echtscheiding
Partijen zijn op 8 november 1999 gehuwd en hebben twee minderjarige kinderen. De echtscheiding werd uitgesproken op 1 juni 2005. De vrouw woont met de kinderen en de man werkt in het garagebedrijf van zijn vader, ondergebracht bij [A] Holding B.V.
De kern van het geschil betreft de vaststelling van de draagkracht van de man voor partner- en kinderalimentatie. De vrouw stelde dat het loon dat zij in 2004 ontving van [A] Holding B.V. feitelijk aan de man toekwam, terwijl de man dit ontkende en stelde dat het haar eigen loon was. De rechtbank en het hof oordeelden dat het loon van de vrouw als haar eigen inkomen moest worden beschouwd en dat het inkomen van de man niet hoger was dan de door hem opgegeven bedragen.
De vrouw bood aan bewijs te leveren dat zij geen werkzaamheden had verricht, maar dit bewijsaanbod werd door het hof niet gemotiveerd afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat het bewijsaanbod van de vrouw weinig kans van slagen had omdat het getuigenbewijs van de vrouw als partijgetuige onvoldoende is en geen contra-enquête heeft plaatsgevonden. Ook is geen sprake van een gerechtelijke erkenning door de man dat hij het loon van de vrouw als zijn inkomen moest worden beschouwd.
De Hoge Raad concludeert dat het hof zijn bewijswaardering begrijpelijk heeft gemotiveerd en dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom het hof ten onrechte het inkomen van de man heeft vastgesteld. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het hofbesluit over de alimentatie wordt bekrachtigd.