ECLI:NL:PHR:2008:BD0135
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot vorderen rekening en verantwoording van bewindvoerder onderbewindstelling
In deze zaak staat centraal de vraag wie bevoegd is om van een bewindvoerder onder een onderbewindstelling op grond van artikel 1:431 BW Pro rekening en verantwoording te vorderen. Verzoekster, een van de erfgenamen, maakte bezwaar tegen het ontslag van de bewindvoerder en verzocht om aflegging van rekening en verantwoording over het gehele vermogen van de rechthebbende.
De kantonrechter verleende het ontslag van de bewindvoerder en benoemde een nieuwe bewindvoerder, maar ging niet in op het verzoek om rekening en verantwoording. Het hof verklaarde het hoger beroep van verzoekster niet-ontvankelijk. Verzoekster kwam vervolgens in cassatie met het betoog dat zij als erfgenaam en legitimaris belang had bij de verantwoording.
De Hoge Raad stelt vast dat de wettelijke regeling in artikel 1:445 BW Pro bepaalt dat de bewindvoerder alleen verplicht is rekening en verantwoording af te leggen aan de rechthebbende en de opvolgend bewindvoerder. Derden, zoals erfgenamen, vallen niet onder deze kring. Ook een volmacht van de rechthebbende aan verzoekster verandert hieraan niets. De cassatie wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat alleen de rechthebbende en de opvolgend bewindvoerder bevoegd zijn om rekening en verantwoording te vorderen van de bewindvoerder.