ECLI:NL:PHR:2008:BD0448

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11075 J
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 SvArt. 78 lid 1 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ongeldige aanzegging en ontbreken cassatiemiddelen

Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 13 dagen jeugddetentie wegens mishandeling, met verlenging van de proeftijd van een eerdere voorwaardelijke straf. Tegen dit vonnis werd cassatie ingesteld met een klacht over de geldigheid van de betekening van de aanzegging ex art. 435 lid 1 Sv Pro.

De klacht betrof dat de aanzegging niet persoonlijk aan verdachte was uitgereikt, maar aan een ander persoon wiens identiteit werd vastgesteld aan de hand van een rijbewijs dat niet op verdachte paste. Ook de initialen op de akte van uitreiking sloten niet aan bij verdachte.

De Hoge Raad oordeelde dat het niet relevant was aan wie de aanzegging was uitgereikt, omdat verdachte de aanzegging via zijn raadsman heeft ontvangen en daardoor niet in zijn belangen was geschaad. Verder is de klacht niet gericht tegen een rechterlijke handeling of beslissing zoals vereist voor een cassatiemiddel.

Omdat de schriftuur geen andere cassatiemiddelen bevatte, voldeed deze niet aan de vereisten van art. 437 lid 2 Sv Pro, waardoor verdachte niet in zijn cassatieberoep kon worden ontvangen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldig cassatiemiddel.

Conclusie

Nr. 07/11075 J
Mr. Fokkens
Zitting 22 april 2008
Conclusie inzake
[verdachte]
1. Verdachte is op 26 april 2007 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens mishandeling, veroordeeld tot 13 dagen jeugddetentie. Tevens heeft het Hof de proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf van 10 uren werkstraf subsidiair 5 dagen jeugddetentie en de bijbehorende bijzondere voorwaarde, met één jaar verlengd.
2. Namens verdachte heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend houdende een als middel aangeduide klacht.
3. De als middel aangeduide klacht betreft de uitreiking van de aanzegging ex art. 435 lid 1 Sv Pro aan verdachte. Aangevoerd wordt dat de aanzegging niet aan verdachte in persoon is uitgereikt zoals de akte van uitreiking vermeldt. Daartoe wordt erop gewezen dat de identiteit van de persoon aan wie de aanzegging werd uitgereikt, blijkens de akte van uitreiking is vastgesteld aan de hand van een rijbewijs en dat verdachte daarvoor gelet op zijn leeftijd niet in aanmerking kan komen. Ik wijs er nog op dat ook de initialen van de ondertekening (RG en niet BG) doen vermoeden dat de aanzegging niet aan de verdachte is uitgereikt.
4. Aan wie de voor de verdachte bedoelde aanzegging is uitgereikt, kan hier verder in het midden blijven. In de schriftuur wordt erop gewezen dat de aanzegging de verdachte via zijn raadsman onder ogen is gekomen. Daaruit volgt dat de aanzegging hem uiteindelijk heeft bereikt. Ook de raadsman heeft de mededeling ontvangen dat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro. De raadsman heeft tijdig een schriftuur ingediend. Op grond hiervan stel ik vast dat verdachte niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad doordat de aanzegging niet in persoon aan hem zou zijn uitgereikt.
5. Voor de beoordeling van de klacht is voorts van belang dat deze zich niet richt een handeling of beslissing van een rechter als bedoeld in art. 78 lid 1 RO Pro. Daarom kan de klacht niet worden aangemerkt als een middel van cassatie (HR 4 juli 2000, NJ 2000, 581 rov. 4.2). Nu de schriftuur verder geen middelen van cassatie bevat, is niet voldaan aan de in art. 437 lid 2 Sv Pro op straffe van niet-ontvankelijkheid gestelde eis dat de verdachte bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur doet indienen houdende zijn middelen van cassatie. Dit brengt mee dat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Ik concludeer dat de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden