ECLI:NL:PHR:2008:BD1384
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen machtiging tot voortgezet verblijf bij voorwaardelijk ontslag buiten psychiatrisch ziekenhuis
In deze zaak werd cassatie ingesteld tegen een machtiging tot voortgezet verblijf van een patiënt die feitelijk buiten het psychiatrisch ziekenhuis verbleef op grond van een voorwaardelijk ontslag. De officier van justitie had bij de rechtbank verzocht om verlenging van de machtiging tot voortgezet verblijf, ondanks dat betrokkene niet meer in het ziekenhuis verbleef.
De rechtbank verleende de machtiging, stellende dat betrokkene formeel nog in het ziekenhuis verbleef zolang geen onvoorwaardelijk ontslag was verleend. Betrokkene verzette zich tegen deze machtiging, stellende dat alleen een voorlopige machtiging mogelijk was zolang hij buiten het ziekenhuis verbleef.
De Hoge Raad oordeelde dat sinds de invoering van de voorwaardelijke machtiging per 1 januari 2004 de praktijk van de zogenaamde paraplumachtigingen niet langer is toegestaan. Een machtiging tot voortgezet verblijf kan niet worden verleend aan iemand die feitelijk buiten het ziekenhuis verblijft op grond van een voorwaardelijk ontslag. De rechtbank had dit miskend, waardoor de machtiging niet in stand kon blijven.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking en wees het verzoek van de officier van justitie af. Tevens werd ingegaan op de procedurele vraag of het verzoek tijdig was ingediend, waarbij werd geoordeeld dat een te late indiening niet leidt tot niet-ontvankelijkheid.
Deze uitspraak bevestigt de rechtspositie van patiënten en verduidelijkt de toepassing van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) met betrekking tot machtigingen bij voorwaardelijk ontslag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde de machtiging tot voortgezet verblijf omdat betrokkene met voorwaardelijk ontslag buiten het ziekenhuis verbleef en wees het verzoek van de officier van justitie af.