ECLI:NL:PHR:2008:BD1494
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over stuiting verjaring bij kennelijk onredelijk ontslag en ondubbelzinnig voorbehoud
De zaak betreft een geschil tussen [eiser], een werknemer in WSW-verband, en zijn werkgever Trio Bedrijven over de vraag of de verjaring van een vordering tot nakoming van een verbintenis, voortvloeiend uit een kennelijk onredelijk ontslag op staande voet, is gestuit door een schriftelijke mededeling op 16 september 2004. [Eiser] werd op 17 maart 2004 op staande voet ontslagen wegens een vermeende dringende reden, welke hij betwistte en waartegen hij direct schriftelijk protesteerde. Diverse brieven, waaronder die van zijn advocaat op 16 september 2004, stelden dat het ontslag vernietigd was wegens het ontbreken van toestemming volgens het BBA 1945 en sommeerden tot betaling van loon en vakantiegeld.
De rechtbank verklaarde de vorderingen van [eiser] niet-ontvankelijk wegens verjaring, omdat de stuiting volgens art. 3:317 lid 1 BW Pro niet was voldaan. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de brief van 16 september 2004 niet ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt, mede omdat de brief alleen verwees naar het BBA en niet naar de BW-grondslagen waarop de latere vorderingen waren gebaseerd. Het hof vond dat de brief niet duidelijk maakte dat ook vorderingen wegens kennelijk onredelijk ontslag werden voorbehouden.
In cassatie klaagde [eiser] dat het hof ten onrechte de maatstaf van art. 3:317 lid 1 BW Pro onjuist had toegepast door te veel te focussen op de letterlijke inhoud van de brief en onvoldoende rekening te houden met de context en omstandigheden. De Hoge Raad bevestigt dat de stuiting van verjaring een voldoende duidelijke waarschuwing vereist dat de schuldenaar rekening moet houden met een vordering, beoordeeld naar de Haviltex-maatstaf. De Hoge Raad concludeert dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld dat de brief van 16 september 2004 niet ondubbelzinnig was in de zin van art. 3:317 lid 1 BW Pro en dat de verjaring niet is gestuit. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De verjaring van de vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag is niet gestuit door de brief van 16 september 2004.