ECLI:NL:PHR:2008:BD1852
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dubbele strafbaarheid bij uitlevering voor witwassen voorafgaand aan strafbaarstelling in Nederland
In deze zaak gaat het om een verzoek tot uitlevering van een persoon aan Zwitserland ter vervolging wegens witwassen in de periode 2000 tot september 2002. De verdediging voerde aan dat witwassen in Nederland pas sinds 14 december 2001 strafbaar is, zodat de uitlevering voor feiten van vóór die datum niet toelaatbaar zou zijn wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid.
De Rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar, waarbij zij zich baseerde op het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2003 (LJN AH8601). Volgens dit arrest moet de beoordeling van de toelaatbaarheid van uitlevering plaatsvinden naar de stand van het recht ten tijde van de beslissing op het uitleveringsverzoek, niet naar het moment van de gepleegde feiten.
De Hoge Raad bevestigt dat het legaliteitsbeginsel niet wordt geschonden wanneer een persoon wordt uitgeleverd voor feiten die ten tijde van het plegen in Nederland nog niet strafbaar waren, mits de strafbaarstelling op het moment van het uitleveringsverzoek wel geldt. De mogelijke uitkomst van een exequaturprocedure na uitlevering is niet relevant voor de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek.
Het middel van de verdediging wordt verworpen en de uitlevering wordt als toelaatbaar beschouwd. De Hoge Raad benadrukt dat het vereiste van dubbele strafbaarheid dient om te voorkomen dat Nederland medewerking verleent aan handhaving van normen die strijdig zijn met het Nederlandse recht, en dat dit criterium wordt toegepast op het moment van de uitleveringsbeslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de uitlevering toelaatbaar is ondanks het feit dat witwassen in Nederland pas later strafbaar werd gesteld.