ECLI:NL:PHR:2008:BD1904
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitlevering ondanks discussie over verjaring en strafverdeling
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan IJsland ter tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling uit 1999. De verdediging voerde aan dat het vonnis volgens Nederlands recht al verjaard zou zijn en dat de uitlevering daarom niet toelaatbaar is. De rechtbank oordeelde echter dat de onherroepelijkheid van het vonnis en de verjaringstermijn beoordeeld moeten worden aan de hand van het recht van de verzoekende staat, IJsland, en vertrouwde op de door IJsland verstrekte informatie dat het vonnis pas in 2003 onherroepelijk werd en de verjaring in 2008 zou intreden.
Verder stelde de verdediging dat onduidelijk was welk deel van de opgelegde straf betrekking had op de feiten waarvoor uitlevering toelaatbaar was, en dat de uitlevering daarom ontoelaatbaar zou zijn. De rechtbank verwierp dit standpunt, stellende dat bij partiële toelaatbaarheid niet hoeft te worden vastgesteld welk deel van de straf op welke feiten ziet, een oordeel dat door de Hoge Raad werd bevestigd.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde dat de beoordeling van verjaring naar het recht van de verzoekende staat moet plaatsvinden. Ook benadrukte de Hoge Raad dat het niet aan de Nederlandse rechter is om het strafdeel per feit te bepalen bij gedeeltelijke toelaatbaarheid van uitlevering. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat geen gronden aanwezig zijn om het bestreden vonnis te vernietigen, waarmee het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gedeeltelijke toelaatbaarheid van de uitlevering aan IJsland wordt bevestigd.