ECLI:NL:PHR:2008:BD2007

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10866
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 EEX-VerordeningArt. 43 EEX-VerordeningArt. 44 EEX-VerordeningArt. 81 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt erkenning Belgisch verstekvonnis onder EEX-Verordening

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker verworpen tegen de beschikking van de rechtbank Leeuwarden die de tenuitvoerlegging in Nederland van een Belgisch verstekvonnis toestond. Het verstekvonnis was gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Turnhout, België.

Verzoeker stelde dat erkenning van het verstekvonnis strijdig was met de Nederlandse openbare orde omdat het vonnis onterecht bij verstek was gewezen, waardoor het recht op verweer en het beginsel van hoor en wederhoor waren geschonden. De rechtbank verwierp dit bezwaar omdat in de verzetprocedure tegen het verstekvonnis verzoeker wel degelijk in de gelegenheid was gesteld om verweer te voeren, en het verstekvonnis integraal was bevestigd.

Daarnaast klaagde verzoeker dat de rechtbank ambtshalve had moeten onderzoeken of de erkenning moest worden geweigerd wegens onregelmatige of niet-tijdige betekening van het inleidend processtuk. De Hoge Raad oordeelde dat dit gebrek aan belang had omdat het rechtsmiddel van verzet was ingesteld en het verstekvonnis was bevestigd, zodat de weigeringsgrond niet van toepassing was.

De Hoge Raad concludeerde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af met toepassing van artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de erkenning en tenuitvoerlegging van het Belgische verstekvonnis in Nederland wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 07/10866
Mr L. Strikwerda
Parket, 16 mei 2008
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij beschikking van 20 juni 2007 heeft de rechtbank Leeuwarden het door thans verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], op de voet van art. 43 van Pro de Verordening (EG) nr. 44/2001, PbEG 2001 L 012, hierna: EEX-Verordening, ingestelde rechtsmiddel tegen de beschikking van de voorzieningenrechter van die rechtbank van 22 februari 2007, waarbij aan thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], verlof werd verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van een verstekvonnis van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout, België, van 6 september 2006, verworpen.
2. Het tijdig door [verzoeker] op de voet van art. 44 jo Pro. bijlage IV van de EEX-Verordening tegen de beschikking van de rechtbank Leeuwarden ingestelde cassatieberoep berust op twee middelen. De voorgestelde middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat de Hoge Raad de klachten kan verwerpen met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
3. Middel I klaagt dat de rechtbank - in r.o. 4.5.2 van de bestreden beschikking - ten onrechte de stelling van [verzoeker] dat erkenning van het verstekvonnis van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout kennelijk strijdig is met de Nederlandse openbare orde (art. 34, aanhef en onder 1, EEX-Verordening), omdat dit vonnis ten onrechte bij verstek is gewezen waardoor het recht van [verzoeker] om verweer te voeren en het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, heeft verworpen.
4. Het middel faalt. De rechtbank heeft - onbestreden in cassatie - vastgesteld dat de Rechtbank van Koophandel te Turnhout bij vonnis van 12 maart 2007 het verzet van [verzoeker] tegen het verstekvonnis van 6 september 2006 ongegrond heeft geacht en het verstekvonnis integraal heeft bevestigd, en dat uit het verzetvonnis blijkt dat [verzoeker] in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren (r.o. 2.3). Het oordeel van de rechtbank dat onder deze omstandigheden de door [verzoeker] opgeworpen bezwaren betreffende het ontbreken van hoor en wederhoor niet meer kunnen leiden tot het oordeel dat erkenning van het Belgische verstekvonnis kennelijk in strijd is met de Nederlandse openbare orde, is juist. Of de erkenning in strijd is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat moet immers beoordeeld worden naar het moment van de erkenning en niet naar het moment waarop de beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd, is gegeven. Op het moment van de erkenning van het Belgische verstekvonnis waren de daaraan toegeschreven tekortkomingen (het ontbreken van hoor en wederhoor) verholpen door het daartegen aangewende rechtsmiddel van verzet. Vgl. Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 34, aant. 2 (P. Vlas). Zie ook Jan Kropholler, Europäisches Zivilprozessrecht, 8. Aufl. 2005, blz. 411-412, RdNr. 14.
5. Middel II klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten (ambtshalve) te onderzoeken of erkenning van het Belgische verstekvonnis afstuit op de weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 2, EEX-Verordening.
6. Het middel faalt wegens gebrek aan belang. Al aangenomen dat de rechtbank gehouden was ambtshalve te onderzoeken of sprake is van de weigeringsgrond van art. 34, aanhef en onder 2, EEX-Verordening (zie daarover Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 34, aant. 1, P. Vlas), zou dat onderzoek niet hebben kunnen leiden tot het oordeel dat het verzoek van [verweerster] tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van het Belgische verstekvonnis op die weigeringsgrond moet stranden. Vaststaat immers dat [verzoeker] tegen het verstekvonnis een rechtsmiddel (verzet) heeft ingesteld, dat [verzoeker] in de verzetprocedure in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren, en dat het verzet heeft geleid tot bevestiging van het verstekvonnis, zodat op grond van de slotzinsnede van art. 34, aanhef en onder 2, de weigeringsgrond niet van toepassing is. Vgl. Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen & Verordeningen, EEX-Verordening, Art. 34, aant. 3 (P. Vlas).
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,