ECLI:NL:PHR:2008:BD2403
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en verval van optieovereenkomst bij niet-betaling optievergoeding
De zaak betreft een geschil tussen een ontwikkelaar en de gemeente over de uitleg van een optieovereenkomst voor de aankoop van grond. De ontwikkelaar had een optieovereenkomst gesloten waarbij een optievergoeding binnen een bepaalde termijn betaald moest worden. Hij betaalde deze vergoeding niet tijdig, waarna de gemeente stelde dat de optieovereenkomst niet tot stand was gekomen.
De ontwikkelaar voerde aan dat in het overleg voorafgaand aan de optieovereenkomst was afgesproken dat hij een respijt van drie maanden zou krijgen om zijn plannen aan te passen, zonder dat de optievergoeding direct verschuldigd zou zijn. Hij baseerde dit op een verklaring van een ambtenaar en correspondentie. De rechtbank en het hof oordeelden echter dat deze afspraak niet afweek van de schriftelijke overeenkomst waarin de optievergoeding expliciet was opgenomen en dat de ontwikkelaar niet mocht rekenen op een gratis optie.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de optieovereenkomst verviel door het uitblijven van tijdige betaling. De verklaring van de ambtenaar en andere stukken waren niet tegenstrijdig met de schriftelijke overeenkomst en boden geen grond voor het vertrouwen dat de gemeente de optie zonder betaling zou verlengen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de optieovereenkomst verviel door niet-tijdige betaling van de optievergoeding.