ECLI:NL:PHR:2008:BD2711
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toekenning Nederlanderschap op grond van wettiging en bezit van staat
In deze zaak vroeg [verweerster] vaststelling van haar Nederlanderschap op grond van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN), omdat zij in 1978 tijdens haar minderjarigheid door wettiging het kind werd van een Nederlander. De moeder was gehuwd met twee Nederlanders en [verweerster] werd gewettigd door de tweede echtgenoot. Het verzoek werd door het hof gegrond verklaard, waarbij het bezit van staat als kind van de Nederlander doorslaggevend was.
De Staat der Nederlanden en de Nederlandse Antillen stelden verweer tegen de erkenning van de wettiging, onder meer omdat de biologische vader anders was en het huwelijk mogelijk niet volgens het recht van de Dominicaanse Republiek was voltrokken. Het hof oordeelde dat deze bezwaren onvoldoende waren en dat de wettiging rechtsgeldig was, mede op basis van het Curaçaosche trouwboekje en de overschrijving van de huwelijksakte.
In cassatie werden diverse klachten ingediend, waaronder dat het hof het begrip bezit van staat niet correct toepaste en dat de wettiging niet erkend hoefde te worden op grond van de CIEC-Overeenkomst. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het hof terecht het Nederlands-Antilliaanse recht toepaste en dat de wettiging rechtsgeldig was. De Hoge Raad benadrukte dat het bezit van staat als kind van een Nederlander in deze context zwaarwegend is en dat het verweer onvoldoende was om de erkenning te weigeren.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat [verweerster] Nederlander is geworden door wettiging en bezit van staat.