ECLI:NL:PHR:2008:BD2740

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00333/07 E
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 437 SvArt. 81 ROArt. 10.1 Wet milieubeheer
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van vermeende partijdigheid in hoger beroep milieuzaken

De economische kamer van het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld voor overtreding van een milieureglement met een geldboete en subsidiair hechtenis. Verdachte stelde in cassatie onder meer dat het Hof niet onpartijdig was, verwijzend naar een samenhangende zaak waarin dezelfde rechters betrokken waren.

De Hoge Raad oordeelt dat alleen duidelijke en stellige klachten over schending van rechtsregels of vormvoorschriften in cassatie kunnen worden behandeld. De vermeende partijdigheid is onvoldoende onderbouwd en de Hoge Raad verwijst naar een gelijke conclusie in een samenhangende zaak waarin geen sprake was van partijdigheid.

Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair verworpen. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring en verwerping van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair verworpen wegens onvoldoende gegronde klacht over partijdigheid.

Conclusie

Nr. 00333/07 E
Mr. Schipper
Zitting: 27 mei 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De economische kamer van het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 4 september 2006 -met vernietiging van een vonnis van de economische Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 24 januari 2006- de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd euro, subsidiair tien dagen hechtenis.
2. Tegen deze uitspraak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. L.H.W.M. Koenen, advocaat te Lisse, een schriftuur, ingezonden houdende één middel van cassatie. Mr Koenen heeft op 8 april 2008 het middel mondeling toegelicht.
3. Op 19 mei 2008 is nog een aanvullende schriftuur van cassatie ingediend door mr. Koenen, waarin het middel wordt aangevuld. De Hoge Raad kan op die, na de in art. 437, tweede lid, Sv bedoelde termijn ingekomen, schriftuur geen acht slaan.(1) Derhalve zal ik hetgeen is opgeworpen in voornoemde schriftuur dan ook buiten bespreking laten.
4. Er bestaat samenhang met de zaken, 00332/07, 00334/07, 00335/07 en 00336/07 tegen de verdachte. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
5. Het middel behelst primair de klacht dat de zaak in hoger beroep niet is behandeld door een onpartijdig gerecht in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR. Subsidiair is in ieder geval sprake van de schijn van partijdigheid van de drie raadsheren van het Hof, aldus de steller van het middel.
6. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar de 87 als opmerkelijkheden aangeduide beweringen omtrent de partijdigheid van het Hof -en daarbij behorende toelichting- die in de zaak met nummer 00336/07 tegen de verdachte zijn aangevoerd. Voorts is in de toelichting nog het volgende vermeld:
"Verzocht wordt op onderhavige schriftuur te beslissen eerst nadat door de Hoge Raad een beslissing is genomen op de cassatieschriftuur in de zaak met griffienummer 00336/07, om reden dat indien in laatstgenoemde zaak mocht worden geoordeeld dat sprake is van (schijn van) partijdigheid van de drie rechters van het Gerechtshof Leeuwarden, zulks met zich brengt dat ook sprake is van de (schijn van) partijdigheid, om reden dat het dezelfde rechters in dezelfde procedure betreft."
7. In de zaak van de verdachte met griffienummer 00336/07 is hetzelfde middel voorgesteld. Ik heb in die zaak heden geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Ik verwijs naar hetgeen ik daarover heb overwogen onder de punten 6 tot en met 10. In die zaak is mijns inziens van (schijn van) partijdigheid van de drie raadsheren van het Hof geen sprake. Reeds daarom dient ook het onderhavige middel te falen.
8. Het middel kan worden afgedaan met de in artikel 81 RO Pro bedoelde motivering.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie o.a. HR 14 november 2000, NJ 2001, 16 en HR 15 januari 2008, LJN: BB4853.