ECLI:NL:PHR:2008:BD3423
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen beginsel dat pensioenvoorzieningen buiten faillissementsvermogen vallen
In deze zaak stond centraal of een curator in een Nederlands faillissement een zogenoemde individual retirement account (IRA), een pensioenvoorziening op naam van de gefailleerde, mag afkopen. De rechter-commissaris had toestemming gegeven voor afkoop van verzekeringen die vanaf 2008 uitkeringen geven. Verzoekers kwamen hiertegen in hoger beroep, maar de rechtbank bekrachtigde de toestemming.
De Hoge Raad overwoog dat het Nederlandse faillissementsrecht uitgaat van het gehele vermogen van de schuldenaar, ook dat in het buitenland, en dat het afkooprecht van de IRA volgens Amerikaans recht vaststaat. De kernvraag was of de IRA-aanspraken als hoogst persoonlijke rechten moeten worden aangemerkt, waardoor zij buiten het faillissementsvermogen vallen. De Hoge Raad bevestigde dat alleen pensioenrechten die een hoogst persoonlijk karakter hebben, zoals collectieve pensioenregelingen onder de PSW of WVDBPR, buiten het faillissement vallen.
De IRA-aanspraken waren niet voldoende als hoogst persoonlijke rechten aangetoond. Het beroep op het beginsel dat pensioenvoorzieningen buiten het faillissement vallen, faalde daarom. De Hoge Raad stelde dat de Nederlandse wetgever met art. 22a Fw een adequate bescherming biedt tegen onredelijke benadeling bij afkoop van levensverzekeringen met een verzorgingskarakter. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de toestemming tot afkoop van de pensioenverzekeringen blijft in stand.