ECLI:NL:PHR:2008:BD3439

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03489/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 153 SvArt. 344 lid 1 onder 2° SvArt. 20 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-ondertekend proces-verbaal bij snelheidsovertreding

De verdachte werd door het Hof Arnhem veroordeeld wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met meer dan 30 km/u binnen de bebouwde kom. De bewezenverklaring was gebaseerd op een proces-verbaal dat niet was ondertekend, waardoor het niet voldeed aan de vereisten van art. 153 lid 2 Sv Pro en niet als wettig proces-verbaal kon worden aangemerkt.

De Hoge Raad oordeelde dat het relaas van verbalisant X mede de waarnemingen van verbalisant Y bevatte, wat niet onbegrijpelijk is, maar dat het proces-verbaal niet in de wettelijke vorm was opgemaakt vanwege het ontbreken van ondertekening. Ook was onduidelijk welke verbalisant de snelheidsovertreding daadwerkelijk had vastgesteld.

De Hoge Raad wees af van een verbeterde lezing van het bewijsmiddel en concludeerde dat het bewijsmiddel onjuist was opgemaakt en de gang van zaken rond de snelheidsmeting onjuist weergeeft. De bewezenverklaring was daardoor onvoldoende gemotiveerd. Het arrest werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen naar het Hof voor hernieuwde berechting.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 03489/06
Zitting: 4 maart 2008
Mr. Schipper
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 24 oktober 2006 wegens "overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990" veroordeeld tot een boete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis.
2. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ten laste van de verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat:
"hij op 29 juli 2005 te Ede. binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de Kastelenlaan, de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;"
4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
(a) de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, inhoudende:
"Ik erken dat ik op de avond van 29 juli 2005 op de Kastelenlaan te Ede reed."
(b) een op ambtsbelofte door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar van de regiopolitie Gelderland Midden, "in de wettelijke vorm opgemaakt" proces-verbaal, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisant (zakelijk weergegeven):
"Ik zag/constateerde dat een persoon als bestuurder van een voertuig, daarmee, in strijd met een in zijn richting gekeerd bord A1 van de Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 heeft gereden met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid die op dat bord was aangegeven. De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter. Deze bedroeg 100 km per uur, wat een overschrijding van 50 km per uur, op de toegestane snelheid van 50 km per uur, inhoudt. De verdachte werd staande gehouden en deze verstrekte zijn persoongegevens:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats].
Het rijbewijs werd ingevorderd."
5. Ik begin met het tweede middel. Daarin wordt erover geklaagd dat het Hof het onder 4(b) genoemde proces-verbaal ten onrechte heeft aangemerkt als te zijn opgemaakt in de wettelijke vorm, nu bedoeld procesverbaal niet is ondertekend.
6. Uit de door het Hof gebezigde omschrijving kan worden afgeleid dat hij het onder 4(b) bedoelde proces-verbaal heeft gekwalificeerd als een ambtsedig proces-verbaal in de zin van art. 344 lid 1 aanhef Pro en onder 2° Sv. Immers houdt deze omschrijving onder meer in dat het gaat om een "in de wettelijke vorm opgemaakt" proces-verbaal.
7. Het zich bij de stukken bevindende exemplaar van bedoeld procesverbaal is echter, gelijk het middel aanvoert, in strijd met het in art. 153 lid 2 Sv Pro bepaalde, niet ondertekend, zodat het niet in de wettelijke vorm is opgemaakt.
Dit brengt mee dat het stuk niet als een proces-verbaal in de zin van art. 344 lid 1 aanhef Pro en onder 2° Sv kan worden aangemerkt. Het middel is dus terecht voorgesteld.
8. Ik heb nog overwogen of een verbeterde lezing in samenhang met andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen uitkomst zou kunnen bieden. Ik heb er van afgezien een voorstel in die richting te doen, op grond van de bij de behandeling van het eerste middel te vermelden redenen.
9. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat de verbalisant in het onder 4(b) weergegeven en voor het bewijs gebezigde proces-verbaal waarnemingen relateert die niet door hem zijn gedaan. Uit een zich in het dossier bevindend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] zou namelijk volgen dat niet hij, [verbalisant 1], maar verbalisant [verbalisant 2] de bedienaar van de lasergun was waarmee de snelheid van de verdachte is gemeten.
10. Gelijk het middel betoogt, volgt uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken (1) dat niet verbalisant [verbalisant 1], maar verbalisant [verbalisant 2] het merendeel van de in het onder 4(b) weergegeven relaas vervatte waarnemingen heeft gedaan.
11. Ik heb overwogen of een verbeterde lezing van het bedoelde bewijsmiddel hier uitkomst zou kunnen bieden. Hiervoor zou aanleiding kunnen worden gevonden in de omstandigheid dat het bedoelde, onder 4(b) genoemde, proces-verbaal vermeldt te zijn opgemaakt door zowel buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 1] als buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 2], ieder wat betreft zijn bevindingen. Ik zie echter van een dergelijke benadering af. De verdachte heeft blijkens het procesverbaal ter terechtzitting in hoger beroep de gang van zaken rond de snelheidsmeting in twijfel getrokken. In het bijzonder heeft hij de wijze van waarneming van de verbalisanten ter discussie gesteld. Ook de zich bij de stukken bevindende kennisgeving van bekeuring biedt geen helderheid over de vraag welke verbalisant de snelheidsovertreding heeft geconstateerd.
In deze omstandigheden dient het bezigen van een bewijsmiddel dat niet alleen, zoals ik bij de bespreking van het eerste middel heb opgemerkt, onjuist is opgemaakt, maar waarin daarnaast de gang van zaken rond de snelheidsmeting onjuist is weergegeven, niet met de cassatiemantel der liefde te worden bedekt.
12. De bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd. Het middel slaagt dus.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
(1) In het bijzonder een kopie van een wel ondertekend proces-verbaal van opsporingsambtenaar [verbalisant 1] van 13 oktober 2006, met nummer PL074D/05-19382.