ECLI:NL:PHR:2008:BD3573
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over inkomsten uit geldtransacties en de bronvraag van voordeelbeoogde diensten
Belanghebbende verrichtte in de jaren 1999 tot en met 2001 werkzaamheden in het kader van geldtransacties tussen personen in Nederland en Irak. De Inspecteur stelde navorderingsaanslagen op basis van een schatting van provisies die belanghebbende zou hebben ontvangen, waarbij de bewijslast deels werd omgekeerd vanwege het niet doen van aangifte en het niet voldoen aan informatieverzoeken.
Het Hof Leeuwarden oordeelde dat belanghebbende in de jaren 1999-2001 voordeel had genoten uit deze werkzaamheden en stelde een netto voordeel vast op 0,5% van de geschatte transactiewaarde. Het Hof kwalificeerde deze voordelen als inkomsten uit arbeid of resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbende voerde aan dat hij geen voordeel beoogde en dat de provisies grotendeels bestemd waren voor kosten, en betwistte de bewijslastverdeling en de motivering van de schatting.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof de bronvraag onvoldoende heeft beantwoord, met name of de behaalde voordelen in de persoonlijke sfeer lagen en of belanghebbende deze voordelen beoogde. Daarnaast is de motivering van het gehanteerde percentage van 0,5% onduidelijk. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het Hof, behoudt de beslissingen omtrent boetes en griffierecht, en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof voor nadere behandeling.