ECLI:NL:PHR:2008:BD3702

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02090
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet BOPZArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking wegens onvoldoende motivering afwijzing contra-expertise in BOPZ-procedure

In deze zaak heeft de officier van justitie bij de rechtbank Haarlem een voorlopige machtiging gevraagd om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op te nemen. Betrokkene, een vrouw van 56 jaar met diagnoses waaronder alcohol- en benzodiazepine-afhankelijkheid, betwistte de diagnose en de noodzaak van opname. Tijdens de zitting verzocht zij subsidiair om een second opinion door een andere deskundige.

De rechtbank verleende de voorlopige machtiging met een standaardmotivering en ging niet in op het verzoek om contra-expertise. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank haar beslissing niet naar de eisen van de wet met redenen heeft omkleed, omdat zij niet heeft gemotiveerd waarom het verzoek om nader deskundigenonderzoek is afgewezen.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Haarlem. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat bij hernieuwde beoordeling een actuele geneeskundige verklaring moet worden overgelegd, omdat de persoonlijke vrijheid van betrokkene en de waarborgen van artikel 5 EVRM Pro dit vereisen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering van de afwijzing van het verzoek om contra-expertise en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Haarlem.

Conclusie

08/02090
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 6 juni 2008
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
tegen
Officier van Justitie te Haarlem
In deze Bopz-zaak wordt geklaagd over het ongemotiveerd voorbijgaan aan een verzoek om een contra-expertise.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. De officier van justitie in het arrondissement Haarlem heeft op 12 maart 2008 de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om thans verzoekster in cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven. Bij het verzoekschrift is een geneeskundige verklaring d.d. 6 maart 2008 overgelegd.
1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 31 maart 2008, waarbij aanwezig waren: betrokkene en haar raadsvrouwe, de zorgmentor [betrokkene 1] en de teammanager zorg, [betrokkene 2](1). Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van zes maanden. De motivering hield slechts in:
"Uit de inhoud van de overgelegde stukken, de gehouden verhoren en de verkregen inlichtingen blijkt dat betrokkene door een stoornis van de geestvermogens gevaar veroorzaakt, welk gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis.
Betrokkene geeft geen althans onvoldoende blijk van de nodige bereidheid tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.
Gelet op het bovenoverwogene zal het verzoek worden toegewezen."
1.3. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het middel klaagt dat de rechtbank met een standaardmotivering heeft volstaan en haar beschikking niet naar de eisen der wet met redenen heeft omkleed. In het bijzonder wordt geklaagd dat de rechtbank niet zonder motivering had mogen voorbijgaan aan het verzoek dat ter zitting namens betrokkene is gedaan "tot afwijzing van het verzoek en anders een second opinion voor de diagnose".
2.2. Betrokkene is een thuiswonende vrouw van thans 56 jaar. In de geneeskundige verklaring (onder 4.d) is de volgende diagnose gesteld: "alcoholafhankelijkheid, benzodiazepine-afhankelijkheid, depressie, amnestisch syndroom". Ter zitting in eerste aanleg heeft betrokkene, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, de juistheid van deze diagnose en de noodzaak van een voorlopige machtiging bestreden. Namens betrokkene heeft haar raadsvrouwe subsidiair verzocht om een second opinion voor de diagnose.
2.3. De rechtbank heeft in haar beschikking geen aandacht besteed aan dit subsidiaire verzoek, zodat de reden waarom de rechtbank dit subsidiaire verzoek niet heeft ingewilligd, geheel in het ongewisse blijft. In HR 29 april 2005, NJ 2007, 153 m.nt. J. Legemaate (BJ 2005, 14 m.nt. W. Dijkers) is antwoord gegeven op de vraag hoe de rechter moet omgaan met het verzoek om een nader onderzoek door een deskundige te bevelen. Daaruit is voor de onderhavige zaak het volgende van belang:
"De rechter is derhalve overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten."
2.4. Nu iedere motivering ontbreekt, waarom de rechtbank het verzoek om een nader deskundigenonderzoek niet heeft ingewilligd, is aan de wettelijke eisen niet voldaan. Derhalve slaagt de klacht en kan de bestreden beslissing niet in stand blijven. Ten overvloede wordt gesignaleerd dat de rechter, die na verwijzing over de zaak zal beslissen, het inleidende verzoek van de officier van justitie behoort te beoordelen op basis van feiten en omstandigheden die zich ten tijde van haar nieuwe beslissing voordoen. Weliswaar gaat het na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad om voortzetting van dezelfde procedure, maar de aard van een procedure als de onderhavige, waarbij de persoonlijke vrijheid van de betrokkene in het geding is en de waarborgen van art. 5 EVRM Pro in acht moeten worden genomen, laat niet toe dat de rechter zijn beslissing zonder nader onderzoek baseert op de feiten en omstandigheden welke hem reeds waren gebleken toen hij de in cassatie vernietigde beschikking gaf. Daarom brengt het voorschrift van de slotzin van het eerste lid van art. 5 Wet Pro Bopz, dat de bij een verzoek tot het verkrijgen van een voorlopige machtiging over te leggen geneeskundige verklaring inzicht verschaft in de actuele situatie van de betrokkene, mee dat de rechter na cassatie en verwijzing niet opnieuw op het inleidende verzoek beslist alvorens hem een nieuwe geneeskundige verklaring is overgelegd die aan dit voorschrift voldoet(2).
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Haarlem.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene ambulant in behandeling is geweest bij Brijder Verslavingszorg (onderdeel van de Parnassiagroep).
2 Zie onder meer: HR 2 maart 2001, NJ 2001, 278; HR 23 mei 2008, LJN: BC9346.