ECLI:NL:PHR:2008:BD4863

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00968/07
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende bewijs voor opzet henneptransport

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van circa 715 kilogram hennep in Nederland. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van getuigen.

De verdediging voerde onder meer aan dat verdachte op het moment van het binnenbrengen van de dozen nog niet wist dat deze hennep bevatten. Het hof heeft dit standpunt onvoldoende gemotiveerd weerlegd en heeft geen aparte overweging gewijd aan het verweer dat verdachte ten tijde van het telefoongesprek met een mededader nog niet op de hoogte was van de inhoud van de dozen.

De Hoge Raad oordeelt dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte op of omstreeks 9 januari 2003 wist dat de dozen hennep bevatten, ook niet onder voorwaardelijk opzet. De bewezenverklaring is daarom niet met redenen omkleed en schiet tekort. Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs voor het opzet van verdachte; de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 00968/07
Mr. Machielse
Zitting 17 juni 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 26 juni 2006 voor "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, heeft een cassatieschriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.
3.1. Het vierde middel klaagt dat de pleitnotitie die de advocaat op 12 juni 2006 heeft overgelegd en welke aan het proces-verbaal ter terechtzitting zou worden gehecht, zich niet bij de stukken zou bevinden.
3.2. Ik heb de betreffende pleitnotitie wel onder de stukken aangetroffen waarvan de Hoge Raad kennis neemt, zodat deze klacht feitelijke grondslag mist.
4.1. Het derde middel klaagt dat het hof geen beslissing heeft gegeven op verzoek van de verdediging om [betrokkene 8] als getuige te horen.
4.2. Onder de stukken van het dossier bevindt zich een appelschriftuur van 26 mei 2005 waarin een opgave van getuigen onder wie [betrokkene 8]. De appelschriftuur geeft de redenen aan waarom het voor de verdediging belangrijk is om deze getuige te kunnen ondervragen. Het dossier bevat tevens een aanvullende appelmemorie van 27 januari 2006 waarin het hof wordt verzocht om [betrokkene 8] als getuige te horen. Dit verzoek is ook van een motivering voorzien. Ter terechtzitting van 22 februari 2006 is de opgeroepen getuige [betrokkene 8] niet verschenen. De verdediging heeft niet afgezien van het horen van deze getuige en verzocht hem alsnog op te roepen, welk verzoek het hof heeft gehonoreerd. Ook heeft de advocaat van verdachte blijkens een brief van 16 mei 2006 de advocaat-generaal bij het gerechtshof nog eens verzocht om de getuige [betrokkene 8] op te roepen. Bij brief van 23 mei 2006 heeft de AG aan de advocaat van verdachte laten weten niet over te zullen gaan tot het treffen van maatregelen om het voor de getuige [betrokkene 8] mogelijk te maken ter terechtzitting een verklaring af te leggen, omdat de advocaat van [betrokkene 8] heeft laten weten dat deze getuige wel bereid is om naar Nederland te komen maar zich daar, als medeverdachte, op zijn zwijgrecht zal beroepen. Op 12 juni 2006 is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep hervat.
De getuige [betrokkene 8] bleek wederom niet te zijn verschenen. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van die dag houdt het volgende in:
"De voorzitter doet mededeling van de faxbrief van de raadsman van de verdachte d.d. 16 mei 2006 en de schriftelijke reactie van de advocaat-generaal hierop van 23 mei 2006 betreffende de getuige [betrokkene 8]. In zijn schrijven deelt de advocaat-generaal mede dat door tussenkomst van zijn raadsman [betrokkene 8] heeft laten weten bereid te zijn naar Nederland te komen, maar dat deze zich ter terechtzitting zal beroepen op zijn verschoningsrecht.
Desgevraagd voert de raadsman van de verdachte het woord overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotitie met betrekking tot de getuige [betrokkene 8]. De raadsman overlegt kopieën van de daarin vermelde e-mails.
De advocaat-generaal vordert primair afwijzing van het verzoek tot het alsnog horen van de getuige [betrokkene 8]. Subsidiair stelt de advocaat-generaal het hof voor pas bij arrest op het verzoek te beslissen, nu deze getuige alleen bij een eventuele bewezenverklaring van belang zal zijn.
Desgevraagd deelt de raadsman van de verdachte -zakelijk weergegeven- mede:
Naar aanleiding van het subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal ben ik bereid het verzoek tot het horen van [betrokkene 8] voorwaardelijk te doen. Alleen voorzover het hof in raadkamer beslist dat het telefoongesprek tussen cliënt en de getuige [betrokkene 8], waarvan de schriftelijke weergave zich op p. 279 e.v. in het dossier bevindt, als bewijsmiddel gebruikt zal worden, wordt het verzoek gehandhaafd.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat, zoals door de advocaat-generaal en de raadsman voorgesteld, het hof het verzoek tot het alsnog horen van de getuige [betrokkene 8] als voorwaardelijk verzoek zal beschouwen en dat hierop bij arrest zal worden beslist indien het hof de inhoud van het door de raadsman naar voren gebrachte telefoongesprek tussen de verdachte en de getuige [betrokkene 8] als bewijsmiddel zal bezigen."
4.3. Het telefoongesprek waar de advocaat hier op doelt is een inkomend gesprek dat gevoerd is op 17 januari 2003 vanaf 11.05 uur. De transcriptie van het gesprek heeft als nummer T02-05 en is op blz. 279 van het politiedossier weergegeven. Dat gesprek is door het hof niet voor het bewijs gebruikt. Wel is voor het bewijs gebruikt een uitgaand gesprek van dezelfde dag, aanvangstijd 14.07 uur, codenummer T02-05a en weergegeven op blz. 283.
De voorwaarde die vervuld moest zijn wilde de verdediging het verzoek tot het horen van [betrokkene 8] handhaven, te weten dat het hof zou overwegen het telefoongesprek dat is weergegeven op blz. 279 en volgende voor het bewijs te gebruiken, is niet gerealiseerd. De steller van het middel doet het voorkomen alsof het hof de getuige [betrokkene 8] niet heeft opgeroepen omdat deze zich op zijn verschoningsrecht zou beroepen. Deze uitleg getuigt van een verkeerde lezing van de overwegingen van het hof. Het middel betoogt tevens dat het telefoongesprek waar [betrokkene 8] aan heeft deelgenomen en waarover de verdediging de getuige wilde bevragen, wel voor het bewijs is gebezigd. Dat onderdeel mist feitelijke grondslag.
Het middel faalt.
5.1. Het eerste middel klaagt over het bewijs. Uit geen van de bewijsmiddelen zou het bewezenverklaarde opzet met betrekking tot de aanwezigheid van hennep zijn af te leiden. Het tweede middel klaagt dat het hof is afgeweken van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging en het OM, inhoudende dat de verdachte zou moeten worden vrijgesproken, zonder van die afwijking de redenen te geven. Beide middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
5.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte
"op of omstreeks 9 januari 2003 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk (in dozen per schip vanuit Thailand) binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 715 kilogram kg hennep".
5.3. Het verkorte arrest noch de aanvulling met de bewijsmiddelen bevat nadere overwegingen over het in de pleitnota van 12 juni 2006 neergelegde onderbouwde standpunt dat verdachte niets met de hennep in de container te maken had. Kennelijk is het hof van mening geweest dat de bewijsconstructie een afdoende antwoord op dit standpunt zou bevatten.
5.4. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 9 januari 2003 een container uit Thailand in Rotterdam is gelost. Op 13 januari bleek hennep aanwezig te zijn in 39 dozen. Een van de dozen is teruggeplaatst, de rest is uit de container gehaald (bewijsmiddel 2 en 4). Verder bevatten de bewijsmiddelen gegevens over de afhandeling van de vracht en verklaringen van betrokkenen. Bewijsmiddel 11 houdt de transcriptie in van een afgeluisterd telefoongesprek over de onderschepping van het transport van hennep welk gesprek, zoals blijkt uit bewijsmiddel 10, is gevoerd door [betrokkene 3] en [betrokkene 8]. Vermoedelijk is dit telefoongesprek gevoerd op 15 of 16 januari 2003. Bewijsmiddel 13 bevat de weergave van een telefoongesprek waaraan verdachte deelneemt. Hij spreekt met [betrokkene 3]. Het gespreksonderwerp is de vertraging met de afhandeling van de container. Bewijsmiddel 15 geeft de inhoud van het telefoongesprek weer dat gevoerd is op 17 januari 2003. Verdachte belt naar [betrokkene 8], de afzender van de container, die zich in Thailand bevindt. Het gespreksonderwerp is dat er spullen uit de container zijn gehaald en ik vermoed dat erover gesproken wordt dat daarbij 30 politieagenten betrokken waren. Ik geef de inhoud van dit bewijsmiddel weer:
"15. Een als bijlage met codenummer T02-05a (p. 283) bij proces-verbaal met dossiernummer 0026801, codenummer 'Zaaksproces-verbaal' van FIOD/ECD/Zuidwest/ Zeehavenpolitie Rotterdam d.d. 6 maart 2003 gevoegd proces-verbaal van FIOD/ECD Zuidwest, Kantoor Rotterdam, opgemaakt d.d. Il januari 2003 door [verbalisant 8], ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, voor zover inhoudend als relaas van verrichtingen en bevindingen van de verbalisant:
Ik heb op 17 januari 2003 de volgende opgenomen telefoongesprekken uitgeluisterd.
Telefoonnummer 010-4211644, datum 17 januari 2003.
Gesprek nummer 13. Aanvangstijd 14.07. Uitgaand.
Telefoonnummer [telefoonnummer].
NN-man (NNI) belt uit naar NN-man (NN2). Ze begroeten elkaar in de Engelse taal. Het gesprek wordt hieronder woordelijk uitgewerkt.
NNI: zeg ik heb mijn dochter gesproken, hallo, ik heb mijn dochter gesproken
NN2: ja
NNI: nou ja uuh de helft van het personeel is met vakantie
NN2 oh, oh
NNI oh, ja dus uuh
NN2 de baas zelf ook
NNI ja, ja de baas zelf ook (NNI en NN2 moeten hierom lachen) en de onderbaas en daar de baas onder, dus dat ik nogal wat
NN2: nou dat betekent toch dat ze er van overtuigd zijn dat het in Holland fout zit hè
NNI: ja ja dat moet wel, maar ja voor de rest
NN2: hè
NNI: voor de rest weet ik het ook niet uuh [betrokkene 6]
NN2: wat zeg je
NNI: voor de rest weet ik het ook niks, ik weet alleen dat de helft van het personeel pleite is uuh, ze zijn zwaar onderbemand
NN2: wat zitten ze
NNI: ze zijn zwaar onderbemand
NN2: onderbemand
NNI: ja
NN2: hè wat ik zeggen wou, heb je mijn fax nog gezien
NNI: nee maar ik ga er straks even heen
NN2: ooh je bent nog niet geweest nou
NNI: nee, ik ga er straks even heen, even hè
NN2: je moet even kijke of die uuh of die seal daar nog ligt
NNI: ja
NN2: weet je wel, die moet hetzelfde nummer hebben als op die fax staat
NNI: ja ja, ze hebben van alles meegenomen hoor dus uuh, maar goed
NN2: wat
NNI: ze hebben van alles meegenomen
NN2: meen je dat
NNI: jaa uuh, uit het enen één ta.. één tafel hebben ze meegenomen en de rest was er al uit
NN2: oh is is de kit (fonetisch) daar geweest of niet
NNI: ja, saam sit, saam saam sit koen (fonetisch)
NN2: wat zeg je
NNI: saam sit koen (fonetisch)
NN2: wat
NNI: 30 man
NN2: de kit is geweest
NNI: ja 30 man
NN2: zo
NNI: ja
NN2: alsjeblieft hè
NNI: ja ja ja maar er was meer één tafel uuh zat er nog maar in en de rest was pleitte
NN2: jaha, die hebben ze ook meegenomen natuurlijk
NNI: ...(onverstaanbaar) tafel is ook meegenomen ja
NN2: ja nou ja neem maar aan dat ze, dat ze, dat ze het er in Nederland uit gehaald, dus niet hier want dat is hier al nagespit, dat is hier niet gebeurd
NNI: nee dat weet ik wel zeker, hier bedoel ik hier
NN2: ik hoor je heel slecht de lijn is klote nou
NNI: ja, nou dus hier hier is het gejat
NN2: ja
NNI: lijkt mij
NN2: het is daar gebeurd ja
NNI: ja
NN2: ja, als er 30 man bij je binnenkomen dan moeten ze heel wat verwachten. (...) En hou mij ook even op de hoogte als je wil.
NNI: Ja als er wet nieuws is
NN2: Wel voorzichtig want ik weet niet hoe het met deze lijn zit
NNI: Het nummer van mijn moeder heb je niet hè
NNI: Jij weet toch ook nergens van, dus uuuh ja, jouw spullen jouw spullen (gesprek niet te volgen...)"
5.5. Het hof heeft uit dit telefoongesprek, en meer bepaald uit het gedeelte daarvan waarin gesproken wordt over het feit dat er nog maar "één tafel" in zat en dat de rest was meegenomen kennelijk afgeleid dat dit onderdeel van het gesprek gaat over de dozen waarin de hennep was verborgen. Die gevolgtrekking is volgens mij niet onbegrijpelijk omdat ervan mag worden uitgegaan dat de verbalisanten niets anders uit de container hebben meegenomen dan de 39 dozen met hennep, waarvan er één is teruggeplaatst. Voorts wordt de kleur van het gesprek nog versterkt door de opmerkingen over de voorzichtigheid die moet worden betracht omdat [betrokkene 8] niet weet of de telefoonlijn waarover beiden spreken wel veilig is.
Van belang is voorts bewijsmiddel 18, inhoudende een verklaring van [betrokkene 8], die erop neerkomt dat kort na de verscheping van de container vanuit Thailand iemand in Thailand hem heeft medegedeeld dat er dozen met marihuana in die container zijn verscheept.
5.6. Uit de gebezigde bewijsmiddelen en meer bepaald uit het hiervoor weergegeven telefoongesprek dat als bewijsmiddel 15 in de aanvulling op het verkort arrest is opgenomen, heeft het hof kunnen afleiden dat op het moment van dit telefoongesprek, te weten 17 januari 2003 om 14.07 uur, verdachte ervan op de hoogte was dat de container verdovende middelen bevatte. Maar uit geen van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen valt volgens mij op te maken dat verdachte ook op of omstreeks 9 januari 2003 deze wetenschap al had. Verdachte heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep op 20 februari 2006 gezegd dat hij pas later op 17 januari 2003, ergens in de middag, heeft gehoord dat de inval met verdovende middelen te maken had. Deze bewering wordt niet weersproken door een van gebezigde bewijsmiddelen. De bewijsvoering schiet daarom naar mijn mening tekort.
Het eerste middel lijkt mij in ieder geval terecht te zijn voorgesteld.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden