ECLI:NL:PHR:2008:BD4941
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek voorlopige hechtenis bij omzetting buitenlandse straf in Nederland
De Rechtbank te Maastricht verleende verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een in Duitsland opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar. De veroordeelde werd tevens veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens de feiten in die beslissing. Namens de veroordeelde werd cassatie ingesteld met het middel dat de rechtbank onterecht geen aftrek had verleend voor de in Duitsland doorgebrachte voorlopige hechtenis.
De klacht was dat het niet aftrekken van de voorlopige hechtenis in strijd zou zijn met artikel 31 lid 1 sub d van Pro het Verdrag van 13 november 1991 inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, omdat de strafrechtelijke positie van de veroordeelde hierdoor verzwaard zou worden. De rechtbank had wel de tijd in uitleveringsdetentie en de tijd in voorlopige hechtenis in Nederland en Duitsland in mindering gebracht, maar niet expliciet de voorlopige hechtenis in Duitsland.
De Hoge Raad overwoog dat het begrip sanctie in artikel 31 lid 2 van Pro de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) ook de in het buitenland doorgebrachte voorlopige hechtenis omvat. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis, het Verdrag en het toelichtend rapport. Artikel 11 van Pro het Verdrag bepaalt immers dat bij omzetting van de veroordeling de volledige periode van vrijheidsbeneming moet worden afgetrokken. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat ook de in het buitenland doorgebrachte voorlopige hechtenis in mindering moet worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.