ECLI:NL:PHR:2008:BD5507

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02349
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Wet BopzArt. 16 Wet BopzArt. 27 Wet BopzArt. 31 Wet BopzArt. 36 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Behandelingsplan ondertekend door arts-assistent voldoet aan Wet Bopz

In deze zaak ging het om de vraag of een behandelingsplan voor een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis door een arts-assistent mocht worden opgesteld en ondertekend, terwijl de wet volgens sommigen vereist dat dit door een psychiater gebeurt. Betrokkene was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling. De rechtbank had een voorlopige machtiging verleend op basis van een behandelingsplan ondertekend door een arts-assistent.

Betrokkene stelde in cassatie dat het behandelingsplan door een psychiater had moeten worden opgesteld, conform artikel 38 lid 2 Wet Pro Bopz en artikel 14a lid 5 Wet Bopz. De Hoge Raad oordeelde echter dat de wet niet vereist dat het behandelingsplan door een psychiater wordt opgesteld, maar door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon, die ook een arts-assistent kan zijn. Dit volgt ook uit de toelichting bij de wet en de praktijk dat niet altijd een psychiater aanwezig is in alle psychiatrische instellingen.

De Hoge Raad benadrukte dat artikel 14a lid 5 Wet Bopz, dat wel expliciet een psychiater als opsteller van het behandelingsplan noemt, ziet op de voorwaardelijke machtiging en niet op de voorlopige machtiging. De wetgever heeft bewust niet geëist dat het behandelingsplan bij voorlopige machtiging door een psychiater wordt opgesteld. Het beroep van betrokkene werd daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; een behandelingsplan ondertekend door een arts-assistent voldoet aan artikel 38 Wet Bopz.

Conclusie

08/02349
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 20 juni 2008
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Utrecht
In deze zaak gaat het om de vraag wie kan worden aangemerkt als de "voor de behandeling verantwoordelijke persoon" als bedoeld in art. 38 lid 2 Wet Pro Bopz.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) is krachtens een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling(1) opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis te Amersfoort. De officier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft op 7 maart 2008 de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen teneinde het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren. Bij het verzoekschrift heeft hij een geneeskundige verklaring van 4 maart 2008 overgelegd, ondertekend door de geneesheer-directeur van het ziekenhuis. Deze heeft betrokkene doen onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater Th. Ingenhoven. Ook is een afschrift overgelegd van het behandelingsplan d.d. 5 maart 2008, ondertekend door de arts-assistent C.G.M. Raedts en van de aantekeningen omtrent het verloop van de behandeling.
1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 25 maart 2008, waarbij aanwezig waren betrokkene, haar raadsvrouwe en de (behandelend) psychiater R. Karemaker. Blijkens het proces-verbaal is namens betrokkene als verweer aangevoerd dat het behandelingsplan is opgesteld door een arts-assistent die geen psychiater is en dat dit bovendien onvolledig is: de exacte medicatie staat niet vermeld. Om die reden zou de verzochte machtiging niet kunnen worden verleend.
1.3. Bij beschikking van 25 maart 2008 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden(2). In reactie op het verweer overwoog de rechtbank:
"De rechtbank overweegt dat voldoende aannemelijk is geworden dat arts-assistent Raedts als behandelaar kan worden aangemerkt, al dan niet onder supervisie van de heer F. Kruisdijk. Dat blijkt immers uit de geneeskundige verklaring en bovendien uit de decursus. Uit artikel 38 van Pro de wet Bopz volgt dat het behandelingsplan dient te worden ondertekend door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon. Daaronder wordt blijkens de toelichting begrepen een arts of een ander persoon die in het bijzonder verantwoordelijk is voor de behandeling. Het door de arts-assistent ondertekende behandelingsplan volstaat derhalve. In het behandelingsplan staat vermeld dat betrokkene lithium krijgt zodat het verweer dat de medicatie niet in het behandelingsplan is opgenomen zodat op die grond het verzoek dient te worden afgewezen, voor zover dat al kan slagen, geen doel treft."
1.4. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het middel klaagt dat de rechtbank de verzochte machtiging heeft verleend, hoewel het overgelegde behandelingsplan is opgesteld (en ondertekend) door een arts-assistent. Niet is gebleken dat het behandelingsplan is opgesteld door de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater. Weliswaar kan de behandeling plaatsvinden door een ander dan een psychiater, maar dat doet volgens het middel niet eraan af dat de voor de behandeling verantwoordelijke persoon een psychiater behoort te zijn. Daarom behoort het behandelingsplan door een psychiater als de voor de behandeling verantwoordelijke persoon te worden opgesteld. Deze uitleg strookt volgens het middel ook met het bepaalde in art. 14a, lid 5, Wet Bopz, waarin met zoveel woorden is geregeld dat een voorwaardelijke machtiging slechts wordt verleend indien een behandelingsplan is overgelegd, dat is opgesteld door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling(3).
2.2. Art. 5 lid Pro 1, in verbinding met art. 31, Wet Bopz schrijft voor dat bij het verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging, ten aanzien van een patiënt die krachtens een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling reeds in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, een verklaring wordt overgelegd van de geneesheer-directeur van dat ziekenhuis die betrokkene, met het oog daarop, kort te voren heeft laten onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken is. Aan dit wettelijke vereiste is hier voldaan. Tevens is voldaan aan de eis van een objectief onderzoek door een psychiater, om te kunnen vaststellen of sprake is van detentie van een geesteszieke in de zin van art. 5 lid 1 EVRM Pro(4).
2.3. Op grond van art. 16 lid Pro 4, in verbinding met art. 31, Wet Bopz worden bij de geneeskundige verklaring afschriften gevoegd van de in artikel 37a bedoelde aantekeningen en van het in artikel 38 bedoelde Pro behandelingsplan(5). Indien een behandelingsplan nog niet tot stand is gekomen, wordt daarvan bij de verklaring mededeling gedaan onder vermelding van de reden. Wat precies de reden is geweest om in de Wet Bopz de overlegging van een afschrift van het behandelingsplan voor te schrijven, komt niet geheel uit de verf. Aannemelijk is, dat dit voorschrift is bedoeld als een van de waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming: door inzage van het behandelingsplan kan de rechter de gevolgen van de voorgenomen (voortgezette) vrijheidsbeneming beter toetsen(6); bij de toetsing wordt immers mede gelet op proportionaliteit en subsidiariteit. De reden, waarom bij een latere wetswijziging ook de overlegging van de in art. 37a bedoelde aantekeningen over het verloop werd voorgeschreven, is bekend. Tijdens de eerste evaluatie van de Wet Bopz werd geconstateerd dat rechters en advocaten behoefte hebben aan zo volledig mogelijke informatie bij de beoordeling van het verzoek. Onder de vroegere Krankzinnigenwet was gebruikelijk dat de aantekeningen over het verloop van de behandeling aan de rechter werden overgelegd. De Commissie eerste evaluatie Wet Bopz deed de aanbeveling in de wet op te nemen dat ook deze aantekeningen bij het verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf dienen te worden gevoegd(7). Deze aanbeveling is door de wetgever overgenomen(8).
2.4. Art. 36 schrijft Pro voor dat het bestuur van een psychiatrisch ziekenhuis zo spoedig mogelijk na de opname aan (onder meer) de patiënt mededeelt "welke arts of andere persoon in het ziekenhuis in het bijzonder verantwoordelijk zal zijn voor zijn behandeling". Zoals uit al blijkt uit de wettekst, behoeft deze functionaris geen psychiater te zijn en zelfs geen arts. Dit houdt verband met de omstandigheid dat in veel verpleeg- of zwakzinnigeninrichtingen (ingevolge art. 1 Wet Pro Bopz aangemerkt als `psychiatrisch ziekenhuis') geen psychiater en zelfs niet full-time een arts aanwezig is(9). Art. 38 lid Pro 1 (oud) Wet Bopz bepaalt dat de geneesheer-directeur ervoor zorg draagt dat zo spoedig mogelijk na een gedwongen opneming door de voor de behandeling verantwoordelijke persoon een behandelingsplan wordt opgesteld in overleg met de patiënt. Het behandelingsplan is erop gericht de stoornis zo te verbeteren dat het gevaar, op grond waarvan de patiënt onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis moet verblijven, wordt weggenomen. Bij algemene maatregel van bestuur worden eisen gesteld, waaraan een behandelingsplan tenminste moet voldoen(10). Ook in die AMvB wordt niet de eis gesteld dat het behandelingsplan door een psychiater(11) is opgemaakt.
2.5. In art. 14a, lid 5, Wet Bopz, betreffende de voorwaardelijke machtiging, is ook sprake van een behandelingsplan. De rechter verleent een voorwaardelijke machtiging slechts indien een behandelingsplan wordt overgelegd dat met instemming van de betrokkene door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling, verder te noemen de behandelaar, is opgesteld. In de Nota n.a.v. het verslag is, naar aanleiding van vragen vanuit de Kamer met betrekking tot de behandelaar, daarover het volgende opgemerkt:
"De achtergrond van het uitgangspunt dat niet alleen een psychiater als behandelaar kan worden aangemerkt, is gelegen in de verwachting dat in de praktijk een aantal onderdelen van de in dit wetsvoorstel bedoelde extramurale behandeling, ook adequaat door anderen dan een psychiater zou kunnen worden verricht. Naar het oordeel van de regering kunnen bijvoorbeeld ook ambulant werkende sociaal psychiatrisch verpleegkundigen in dit verband een belangrijke rol spelen. (...) Niettemin is de regering, mede naar aanleiding van de vragen van de bovenbedoelde fracties, bij nader inzien van oordeel dat in het wetsvoorstel tot uitdrukking moet worden gebracht dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de behandeling bij een psychiater moet berusten."(12)
2.6. Anders dan de steller van het middel meent, ligt het niet voor de hand bij de uitleg van art. 38 lid 1 ten Pro aanzien van de uitdrukking "de voor de behandeling verantwoordelijke persoon" aansluiting te zoeken bij het bepaalde in art. 14a lid 4 Wet Bopz. Art. 14a is weliswaar geënt op art. 36 e.v. Wet Bopz, maar andersom gaat dat niet op. In de eerste plaats mag niet uit het oog worden verloren dat de regeling van de voorwaardelijke machtiging geen betrekking heeft op zwakzinnigen- en verpleeginrichtingen. Daarnaast levert de omstandigheid dat art. 14a lid 5 Wet Bopz uitdrukkelijk de opstelling van het behandelingsplan door een psychiater voorschrijft terwijl in art. 16 en Pro in art. 38 Wet Pro Bopz deze eis niet wordt gesteld, eerder een aanwijzing op tegen het in het cassatiemiddel verdedigde standpunt dan een ondersteuning van dat standpunt.
2.7. De opmerkingen in de toelichting op het middel (blz. 3), dat onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de supervisie door psychiater Kruisdijk en dat de arts-assistent Raedts in de gedingstukken als de behandelaar is aangemerkt, leiden niet tot een andere uitkomst. Blijkens het voorgaande kan het behandelingsplan, dat door art. 16 Wet Pro Bopz wordt vereist, door een arts niet zijnde psychiater worden opgesteld.
2.8. Het falen van de klacht aan het slot (blz. 4 van het cassatieverzoekschrift) vloeit voort uit het voorafgaande.
3. Beslissing
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie art. 27 Wet Pro Bopz.
2 De beschikking omvat niet een afzonderlijk dictum. De tekst ("De rechtbank zal de machtiging verlenen voor zes maanden") laat echter geen twijfel over de bedoeling bestaan. In het cassatiemiddel is, m.i. terecht, ervan uitgegaan dat op 25 maart 2008 een voorlopige machtiging voor de duur van zes maanden is verleend.
3 Er zij op gewezen dat art. 14a Wet Bopz per 1 juni 2008 is gewijzigd als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 25 februari 2008, Stb. 80. Hetzelfde geldt ten aanzien van enkele andere hierna genoemde artikelen.
4 Zie art. 5, lid 1 onder e, EVRM; EHRM 5 oktober 2000 (Varbanov), BJ 2001, 36 m.nt. WD.
5 Het ontbreken van een aan de wet beantwoordend behandelingsplan heeft niet de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn verzoek tot gevolg. Het ontbreken van de in art. 16 lid 4 bedoelde Pro stukken heeft tot gevolg dat pas op het verzoek kan worden beslist nadat die stukken alsnog zijn overgelegd: HR 24 juli 1995, NJ 1996, 606 m.nt. JdB onder nr. 605.
6 Vgl. HR 10 maart 1995, NJ 1995, 346.
7 Tussen invoering en praktijk, rapport van de Evaluatiecommissie Wet Bopz, uitgave VWS 1996, blz. 123-124, aanbeveling 15.
8 Wet van 22 juni 2000, Stb. 292.
9 Vgl. R.B.M. Keurentjes, Tekst en toelichting Wet Bopz, Editie 2005, blz. 139, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1979/80, 11 270, nr. 13, blz. 37.
10 Art. 38 lid 3 Wet Pro Bopz. Zie ook het Besluit rechtspositieregelen Bopz, Stb. 1993, 561.
11 Een psychiater is volgens art. 1 Wet Pro Bopz: een arts die bevoegd is de titel van psychiater of zenuwarts te voeren.
12 Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2000/01, 27 289, nr. 7, blz. 10.