ECLI:NL:PHR:2008:BD5509
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging ouderlijk gezag en omgangsregeling na beëindiging ongehuwd samenwonen
De man en vrouw hebben van 1993 tot 2003 ongehuwd samengewoond en samen drie kinderen gekregen. Na het vertrek van de vrouw met de kinderen in 2003 verzocht de man bij de rechtbank om het gezag over de kinderen te verkrijgen en een omgangsregeling vast te stellen. De rechtbank wees het primaire verzoek af en stelde een omgangsregeling vast waarbij de kinderen bij de vrouw verbleven en de man beperkte omgang had.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde afwijzing van het gezagsverzoek en stelde begeleide omgang voor. In hoger beroep bevestigde het hof de afwijzing van het gezag en stelde het de omgangsregeling opnieuw vast, waarbij het hof oordeelde dat er zwaarwegende bezwaren bij de kinderen waren tegen omgang met de vader zoals hij die wenste. De man was niet bereid tot begeleide omgang, wat het hof noodzakelijk achtte in het belang van de kinderen.
De man kwam met één verzoekschrift in cassatie tegen beide appelbeschikkingen. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep ontvankelijk was maar geen grond trof. Het hof had voldoende waarborgen getroffen en de beslissing was gebaseerd op een zorgvuldige belangenafweging, mede in het licht van artikel 1:377a BW en artikel 8 EVRM Pro. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen; het gezag blijft bij de vrouw en de omgangsregeling wordt afgewezen vanwege het belang van de kinderen.