1 Ontleend aan de in eerste aanleg op 10 augustus 2005 gegeven beschikking, p. 2 en aan de in appel op 14 maart 2007 gegeven beschikking.
2 Het betreft hier een appel in het verlengde van de echtscheidingsprocedure. De beschikking van het hof berust echter op een convenant, zodat ik aanneem dat partijen inmiddels hun geschillen minnelijk hadden weten op te lossen.
3 Dit punt komt in cassatie niet meer aan de orde.
4 De beschikking van het hof is, zoals al even werd aangestipt, van 14 maart 2007. Het cassatierekest is op 6 juni 2007 ingediend.
5 HR 6 juni 2008, rechtspraak.nl LJN BC8968, rov. 4.1; HR 21 december 2007, RvdW 2008, 70, rov. 5.2; HR 20 april 2007, RvdW 2007, 422, rov. 3.3.1; Hovens, Het civiele hoger beroep, diss. 2005, p. 230 - 233 en p. 251 - 252; Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, p. 66 - 75; Snijders - Wendels, Civiel appel, 2003, nrs. 216, 219, 220 en 223. Dit leerstuk is wel bekritiseerd, met name voor het geval van expliciet in de eerste aanleg verworpen argumenten, zie bijvoorbeeld Asser-Groen-Vranken m.m.v. Tzankova, Een nieuwe balans, 2003, p. 207 - 208 en Uitgebalanceerd, 2006, p. 131 (met verdere bronnen) en p. 148. Uit de herhaalde bevestigingen van de leer in recente beslissingen van de Hoge Raad, leid ik af dat deze door de kritische geluiden niet is overtuigd.
6 Er geldt een uitzondering voor het geval van de appellant die eiser in de eerste aanleg was, als gronden voor diens vordering of verzoek expliciet zijn verworpen en tegen die beoordeling geen grieven worden aangevoerd, dit als uitvloeisel van het zgn. "grievenstelsel", zie bijvoorbeeld Ras - Hammerstein, a.w. p. 69. In deze zaak gaat het echter om argumenten van de geïntimeerde in de appelinstantie, zodat deze uitzondering niet aan bod komt. Een tweede uitzondering geldt als het vorderingen of verzoeken betreft die in de eerste aanleg expliciet dan wel impliciet zijn afgewezen (en niet slechts om gronden die ter ondersteuning van een vordering of verzoek werden aangevoerd): tegen een dergelijk oordeel kan slechts langs de weg van grieven, eventueel in incidenteel appel, worden opgekomen, zie bijvoorbeeld HR 26 juni 1998, NJ 1998, 743, rov. 3.3 en Ras - Hammerstein, a.w. p. 60 en p. 69 - 70. Ook dat betreft een ander geval dan in deze zaak aan de orde is. Hoewel de rechtbank in haar tussenbeschikking van 10 augustus 2005 aan de verwerping van het beroep van [de man] op draagkrachtvermindering een uitdrukkelijke "conclusie" heeft verbonden dat het verzoek op die grond moest worden afgewezen, blijft het gaan om verwerping van één van de voor [de man zijn] verzoek aangevoerde gronden (terwijl het verzoek tenslotte in de eerste aanleg wél toewijsbaar werd geoordeeld, en dus niet werd afgewezen).
7 Ras - Hammerstein, a.w. p. 72. Ten overvloede wijs ik er nog op dat de rechter in de alimentatie-rekestprocedure minder strikt aan de regels betreffende het zgn. "grievenstelsel" gebonden is (HR 10 oktober 2003, NJ 2005, 104 m.nt. DA, rov. 3.6); waardoor de ruimte voor toepassing van het leerstuk van de "devolutieve werking" nog enig extra accent krijgt.
8 Het verweerschrift in appel vermeldt dit argument in de alinea's 6, 14, 17, 23 - 24, 29 en 31. Het is ook in de pleitaantekeningen voor de mondelinge behandeling aangestipt, zoals uit de bestreden beschikking (rov. 18) blijkt.