ECLI:NL:PHR:2008:BD6046
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest ontneming wederrechtelijk voordeel na vrijspraak voor feiten
In deze zaak gaat het om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dat het Hof Arnhem aan de veroordeelde toerekende. De veroordeelde was veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie, maar vrijgesproken voor enkele concrete strafbare feiten. Het Hof rekende het voordeel dat uit deze vrijgesproken feiten zou zijn verkregen toch toe aan de veroordeelde.
De Hoge Raad oordeelt dat dit onjuist is. Ontneming van voordeel mag niet gebaseerd zijn op feiten waarvoor de veroordeelde is vrijgesproken, omdat dit in strijd is met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6 lid 2 EVRM Pro. Ook als het voordeel via de criminele organisatie is verkregen, mag het niet worden toegerekend als het voordeel uit vrijgesproken feiten afkomstig is.
De Hoge Raad verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, met name de zaak Geerings tegen Nederland, waarin is vastgesteld dat het toerekenen van voordeel uit vrijgesproken feiten een schending van het recht op onschuldpresumptie inhoudt.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het arrest van het Hof vernietigd moet worden en dat de zaak terug moet naar het Hof voor hernieuwde berechting binnen de grenzen van de onschuldpresumptie.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd wegens onjuiste toerekening van voordeel uit vrijgesproken feiten en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.