1 Rechtbank Haarlem 10 april 2007, AWB 06/0162, niet gepubliceerd.
2 De belanghebbende heeft voor de Rechtbank gesteld dat de verkoop ingegeven was door "praktische redenen (oftewel ter voorkoming van een liquidatie traject)" (beroepschrift van 13 december 2005, p. 2).
3 Vergelijk ook het beroepschrift van 13 december 2005.
4 J.A.R. van Eijsden, Enkele formele aspecten van verliesverrekening , WFR 2003/939.
5 HR 2 juni 2006, nr. 41.052, na conclusie Niessen, BNB 2007/148, met noot IJzerman.
6 HR 16 december 2005, nr. 41.587 en 41.588, BNB 2006/73 en 74, met noot Zwemmer.
7 Wet van 14 december 2000, Stb. 567, artikel II, onderdeel K.
8 Wet van 14 december 2000, Stb. 567, artikel II, onderdeel J.
9 Kamerstukken II, 2000-2001, 27 209, nr. 6 (NnavhV), p. 37.
10 Het rapport is opgesteld door een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van het georganiseerde bedrijfsleven en verschillende Ministeries, en is aangeboden aan de staatssecretarissen Vermeend (Financiën) en Ybema (Economische Zaken). Bijlage 2 van het rapport (opgenomen in V-N 1999/30.3) betreft verliescompensatie in de vennootschapsbelasting.
11 Kamerstukken II, 1999-2000, 27 209, nr. 3 (MvT), p. 11-12.
12 Kamerstukken II, 2000-2001, 27 209, nr. 6 (NnavhV), p. 37-38.
13 Kamerstukken II, 1999-2000, 27 209, nr. 3 (MvT), p. 13. Bij de herwaardering heeft de belastingplichtige veel keuzevrijheid: "De belastingplichtige mag kiezen of en zo ja, welke vermogensbestanddelen hij herwaardeert. Daarbij komen alle vermogensbestanddelen in aanmerking. Ook mag hij zelf bepalen tot welk bedrag herwaardering plaatsvindt. De enige beperking die daarbij geldt, is dat de vermogensbestanddelen ten hoogste voor de waarde in het economische verkeer te boek worden gesteld" (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 209, nr. 6 (NnavhV), p. 43).
14 Kamerstukken II, 1999-2000, 27 209, nr. 2 (VvW), p. 17.
15 Vergelijk de toelichtingen bij de wijzigingen; Kamerstukken II, 2000-2001, 27 209, nr. 7 (NvW), p. 19 en Kamerstukken II, 2000-2001, 27 209, nr. 8 (TNvW), p. 4.
16 Zie ook de pleitnota (p. 2) van de Inspecteur.
17 Kamerstukken II, 1999-2000, 27 209, nr. 2 (VvW), p. 16.
18 Kamerstukken II, 1999-2000, 27 209, nr. 3 (MvT), p. 56.
19 Kamerstukken II, 2000-2001, 27 209, nr. 7 (NvW), p. 15.
20 Kamerstukken II, 2000-2001, 27 209, nr. 7 (NvW), p. 16.
21 Deze situatie heeft - als ik het goed zie - ook geen aandacht gehad in de literatuur, terwijl de vraag naar de toepassing van art. 20a Vpb in een spiegelbeeldige situatie wel de aandacht heeft getrokken (zie onderdeel 5.33).
22 Zie onderdeel 8.14 van mijn conclusie in de bij u aanhangige zaak met nr. 44.021, NTFR 2008/474.
23 HR 22 maart 1995, nr. 29.493, na conclusie Van Soest, BNB 1995/152, met noot Zwemmer.
24 HR 9 april 2004, nr. 39.406, BNB 2004/218, met noot Zwemmer.
25 HR 6 juni 1979, nr. 19.154, na conclusie Van Soest, BNB 1980/214, met noot Slot.
26 HR 12 februari 1986, nr. 23.275, na conclusie Van Soest, BNB 1986/201, met noot Slot.
27 HR 28 april 1993, nr. 28.449, BNB 1993/214, met noot Zwemmer.
28 HR 15 februari 1984, nr. 22.194, BNB 1984/130, met noot Verburg.
29 Zie voorts HR 28 november 1984, nr. 22.523, na conclusie Van Soest, BNB 1985/113, met noot Verburg.
30 Cruciaal is dan derhalve wel dat er een directe samenhang bestaat tussen de aanvang van de nieuwe onderneming en de aandeelhouderswisseling; een dergelijke samenhang werd niet aanwezig geacht in HR 28 april 1993, nr. 28.292, BNB 1993/212, met noot Zwemmer.
31 HR 28 april 1993, nr. 27.885, BNB 1993/211, met noot Zwemmer. In gelijke zin HR 28 april 1993, nr. 28.344, BNB 1993/213, met noot Zwemmer.
32 HR 26 mei 1982, nr. 21.143, BNB 1982/229, met noot Nooteboom.
33 Vergelijk J.A.G. van der Geld, Enige opmerkingen over artikel 20, lid 5, Wet Vpb. 1969, in: Fiscale aspecten van ondernemingen (Meeles-bundel), Deventer: Kluwer, 1985, p. 55-57.
34 HR 9 november 1994, nr. 29.675, BNB 1995/20, met noot Zwemmer.
35 HR 27 november 1996, nr. 31.310, BNB 1997/25.
36 Zie ook HR 29 januari 1997, nr. 31.847, na conclusie Van Soest, BNB 1997/89, met noot Zwemmer, voor een vergelijkbaar oordeel over de beperking van achterwaartse verliesverrekening (de tweede volzin van art. 20, lid 5 (oud) Wet Vpb).
37 HR 4 mei 1977, nr. 18.141, na conclusie Van Soest, BNB 1977/211, met noot Verburg.
38 HR 26 mei 1982, nr. 21.143, BNB 1982/229, met noot Nooteboom.
39 Zie J.W. Zwemmer, Verliescompensatie, Fiscale monografieën nr. 35, Deventer: Kluwer, 1995, p. 132, die meent dat de oorzaak van het feit dat u in bepaalde arresten tot teleologische interpretatie komt, moet worden gezocht in de omstandigheid dat in die gevallen objectieve gegevens de doorslag konden geven, en subjectieve bedoelingen buiten beschouwing konden blijven.
40 Vergelijk Slot in zijn noot bij HR 12 februari 1986, nr. 23.275, na conclusie Van Soest, BNB 1986/201: "De wettelijke regeling (...) is nogal summier gehouden en bevat daardoor elementen van overkill, maar ook van underkill. Aan de wenselijkheid beide bezwaren zoveel mogelijk te beperken blijkt de rechtspraak van de Hoge Raad bij voortduring te voldoen." Zie verder ook bijvoorbeeld J.A.G. van der Geld, Enige opmerkingen over artikel 20, lid 5, Wet Vpb. 1969, in: Fiscale aspecten van ondernemingen (Meeles-bundel), Deventer: Kluwer, 1985, p. 53-54, en E.J.W. Heithuis, De handel in verlies- en herinvesteringslichamen, Fiscale monografieën nr. 98, Deventer: Kluwer, 2002, p. 17.
41 Kamerstukken II, 1968-1969, 6000, nr. 22 (NMvA), p. 31.
42 Besluit van 20 december 2005, nr. CPP2005/1946M, V-N 2006/6.21, dat onlangs is vervangen door het Besluit van 6 mei 2008, nr. CPP 2008/954M, NTFR 2008/1023, welk besluit op het hier relevante punt inhoudelijk gelijk luidt.
43 Voetnoot PJW: in de literatuur wordt over de kwestie van latente verliezen verschillend gedacht. Sommige auteurs zitten op dezelfde lijn als de Staatssecretaris en menen dat HR BNB 1995/152 en/of HR BNB 2004/218 ook nog van betekenis is onder de nieuwe regeling. Zie bijvoorbeeld F. van Horzen, Verliesverrekening in de vennootschapsbelasting, FED fiscale brochures vpb, Deventer: Kluwer, 2006, p. 114-115, J.W. Zwemmer, Verliescompensatie, Fiscale monografieën nr. 35, Deventer: Kluwer, 2003, p. 105, S.R. Pancham in onderdeel 9 van zijn aantekening in FED 2004/389, en P.G.H. Albert, Aspecten van de deelnemingsvrijstelling, Amersfoort: Sdu, 2006, p. 163-164, alsmede, met enige slagen om de arm, J.N. Bouwman, Wegwijs in de vennootschapsbelasting, Amersfoort: Sdu, 2007, p. 767-768. Andere auteurs hechten meer betekenis aan de tekst van de wet. Zie bijvoorbeeld Bruins Slot (commentaar in NDFR, deel vennootschapsbelasting, artikel 20a Vpb, onderdeel 2.11), Chr. Spanjersberg en A.P.J.D. Rambhadjan, Verliescompensatie: een tussenbalans, WFR 2003/1943, onderdeel 9, en T.C. van Wagensveld en J.P. Brands Verliesverrekening bij nagekomen liquidatieverlies, WFR 2005/246, onderdeel 7 en 8.
44 Bijvoorbeeld Bruins Slot (commentaar in NDFR, deel vennootschapsbelasting, artikel 20a Vpb, onderdeel 2.3) en Q.W.J.C.H. Kok, De beperking van verliesverrekening in de vennootschapsbelasting, WFR 2001/729, onderdeel 3.1. Zie ook Chr. Spanjersberg en A.P.J.D. Rambhadjan, Verliescompensatie: een tussenbalans, WFR 2003/1943, onderdeel 2.
45 E.J.W. Heithuis, De handel in verlies- en herinvesteringslichamen, Fiscale monografieën nr. 98, Deventer: Kluwer, 2002, p. 26-27.
46 J.W. Zwemmer, Verliescompensatie, Fiscale monografieën nr. 35, Deventer: Kluwer, 2003, p. 105.
47 F. van Horzen, Verliesverrekening in de vennootschapsbelasting, FED fiscale brochures vpb, Deventer: Kluwer, 2006, p. 113-114.
48 Bijvoorbeeld E.J.W. Heithuis, De handel in verlies- en herinvesteringslichamen, Fiscale monografieën nr. 98, Deventer: Kluwer, 2002, p. 26-27.
49 Hof 's-Gravenhage 7 december 1984, nr. 94/84, BNB 1986/218.
50 De Memorie van Toelichting bij de oorspronkelijk voorgestelde wettekst vermeldt: "Door het gebruik van het woord "voordien'' worden ook verliezen, geleden in het jaar van de overdracht der aandelen tot aan het tijdstip van die overdracht, van compensatie uitgesloten" (Kamerstukken II, 1959-1960, 6000, nr. 3 (MvT), p. 21). Wel is later de voorgestelde wettekst gewijzigd, maar er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat op dit punt een inhoudelijke wijziging was beoogd. Vergelijk ook het citaat opgenomen in onderdeel 5.29 van deze conclusie, zij het dat daar de vraagstelling juist gericht lijkt op overkill en niet op underkill.
51 Zie voor deze bedragen onderdeel 2.3 boven, alsmede cassatieberoepschrift, p. 2 en verweerschrift, p. 1 (al wordt daarin abusievelijk een bedrag van € 49.925 aan verliezen genoemd).