ECLI:NL:PHR:2008:BD7806
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel en draagkracht bij ontnemingsmaatregel in drugshandelzaak
In deze cassatieprocedure staat de ontnemingsmaatregel ter discussie die het Hof Arnhem heeft opgelegd aan de veroordeelde wegens drugshandel. De verdediging verzocht om het horen van een deskundige over de gehanteerde drugprijzen, wat het Hof afwees. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof de verkeerde maatstaf hanteerde door het noodzakelijkheidscriterium toe te passen dat niet van toepassing was op dit moment.
Daarnaast betwistte de verdediging de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, stellende dat er sprake was van minder transporten, lagere prijzen en zelfs verlies. De Hoge Raad bevestigt dat het aan de feitenrechter is om het bewijs te waarderen en dat het Hof niet gehouden was tot nadere motivering van zijn oordeel. Ook de door de veroordeelde gemaakte bedrijfskosten werden door het Hof slechts gedeeltelijk in mindering gebracht, wat volgens de Hoge Raad geen onjuiste rechtsopvatting is.
Het draagkrachtverweer werd door het Hof gemotiveerd verworpen, waarbij rekening werd gehouden met de mogelijkheid dat de veroordeelde vermogen buiten bereik van opsporingsinstanties houdt. De Hoge Raad acht deze motivering voldoende. Wel constateert de Hoge Raad een schending van de redelijke termijn, wat een vermindering van de betalingsverplichting rechtvaardigt.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling, waarbij het Hof de juiste maatstaf moet toepassen en de redelijke termijnoverschrijding moet betrekken in de beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling met toepassing van de juiste maatstaf en inachtneming van de redelijke termijn.