ECLI:NL:PHR:2008:BE9819
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie wegens verschillende feiten bij bestuurlijke boete en strafvervolging
De zaak betreft een verdachte die zowel een bestuurlijke boete van De Nederlandsche Bank (NVB) ontving wegens overtreding van art. 82, eerste lid, Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) als strafrechtelijk werd vervolgd voor oplichting en verduistering. De verdachte voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege het ne bis in idem-beginsel, omdat dezelfde feiten al bestuurlijk waren bestraft.
Het hof oordeelde dat de bestuurlijke boete en de strafrechtelijke vervolging niet hetzelfde feit betreffen. De bestuurlijke boete richt zich op het zonder vergunning aantrekken van gelden en het onttrekken aan toezicht, terwijl de strafrechtelijke feiten oplichting en verduistering betreffen, die individuele crediteuren beschermen. De gedragingen en schuld zijn niet zodanig samenhangend dat sprake is van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr Pro.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Het hof heeft het juiste toetsingskader gehanteerd en de verschillen in strekking en doel van de wettelijke bepalingen voldoende gemotiveerd. De conclusie van de advocaat-generaal ondersteunt dit oordeel. Tevens wordt gewezen op mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, maar dit leidt niet tot vernietiging van het arrest.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; strafvervolging is niet niet-ontvankelijk wegens ne bis in idem.