ECLI:NL:PHR:2008:BF0260
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid en redelijke termijn bij ontnemingsvordering na strafrechtelijk financieel onderzoek
In deze zaak stond centraal de vraag of het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaard moest worden vanwege overschrijding van termijnen bij een ontnemingsvordering na een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO). Het hof had vastgesteld dat de ontnemingsvordering niet gelijktijdig met de sluiting van het SFO was betekend, maar oordeelde dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidde omdat de sluiting door de rechter was bevolen.
De verdediging voerde aan dat het tijdsverloop tussen sluiting van het SFO en de indiening van de vordering het gerechtvaardigde vertrouwen bij de verdachte wekte dat geen vordering meer zou volgen. Dit verweer werd door het hof verworpen, waarbij werd benadrukt dat het OM niet verplicht is de vordering gelijktijdig met de sluiting te betekenen en dat enkel tijdsverloop geen solide basis vormt voor gerechtvaardigd vertrouwen.
Daarnaast werd de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie besproken. Hoewel de totale procedure ongeveer twaalf jaar duurde, werd geen bijzonder geval aangenomen dat een inbreuk op artikel 6 EVRM Pro rechtvaardigt. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn met 13 dagen werd overschreden na het instellen van cassatie, wat normaal leidt tot vermindering van het ontnemingsbedrag, tenzij sprake is van een voortvarende behandeling.
Ten slotte oordeelde het hof dat de draagkracht van de verdachte voldoende was om het opgelegde ontnemingsbedrag te voldoen, mede gelet op zijn vermogenspositie als handelaar in verdovende middelen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontvankelijkheid van het OM en de hoogte van het ontnemingsbedrag.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van het OM en handhaaft het ontnemingsbedrag ondanks overschrijding van de redelijke termijn.