ECLI:NL:PHR:2008:BF0281

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12813
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvArt. 359 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing arrest hof wegens niet gemotiveerd oordeel en termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof te 's-Gravenhage, waarin verzoeker werd veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf wegens diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen. Verzoeker stelde dat zijn verklaring onder dwang was afgelegd, waarbij hij onder druk was gezet door de politie en geïntimideerd door een tolk. Het hof gebruikte deze verklaring echter als bewijs zonder dit verweer gemotiveerd te weerleggen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee in strijd heeft gehandeld met art. 359 Sv Pro, omdat het niet gemotiveerd heeft beslist op het uitdrukkelijk en onderbouwd aangevoerde verweer dat de verklaring onvrijwillig was. Dit leidt tot nietigheid van het arrest. Daarnaast is vastgesteld dat de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad met bijna vijf maanden is overschreden en dat de uitspraak niet binnen de redelijke termijn van 16 maanden zal plaatsvinden, wat een schending van art. 6 EVRM Pro inhoudt.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug aan het hof voor een nieuwe berechting, waarbij het hof rekening moet houden met de termijnoverschrijding bij de strafmaat. Er zijn geen andere gronden gevonden om het arrest ambtshalve te vernietigen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. S 07/12813
Mr Jörg
Zitting 2 september 2008 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker bij arrest van 26 september 2006 wegens diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot tweeënveertig maanden gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3. Het eerste middel klaagt erover dat het hof heeft verzuimd gemotiveerd te responderen op het door verzoeker uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat hij zijn verklaring bij politie niet in vrijheid dan wel onder dwang heeft afgelegd, terwijl het hof deze verklaring zonder nadere overweging wel voor het bewijs heeft gebezigd.
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof op 12 september 2006, heeft verzoeker - voorzover hier van belang - het volgende verklaard omtrent zijn bij de politie op 19 oktober 2005 afgelegde verklaring:
"De voorzitter zegt mij dat blijkens mijn verklaring van 19 oktober 2005 het bezoek aan Leiderdorp op 23 augustus 2005 een soort van voorverkenning was. Dat was niet mijn verklaring. Toen ik werd gearresteerd, vertelde de politie mij niet waarom. De politie vertelde mij vervolgens dat [medeverdachte 1] had verklaard hoe alles was gegaan. De tolk liet mij toen zeggen dat het bezoek op 23 augustus 2005 een voorverkenning is geweest, maar de politie liet mij niet vertellen waarom ik toen in Leiderdorp was. U houdt mij voor dat die bewuste verklaring ongeveer begint met mijn mededeling dat ik op 2 september 2005 in Spanje aan het werk was.
Ik heb nooit gezegd dat ik op 2 september 2005 niet in Nederland was. Ik ben erg onder druk gezet door de politie. Ik kan een verklaring in het Nederlands niet lezen. Een van de politieagenten had een nietmachine in zijn hand en dreigde daarmee te slaan als ik niet bekende. Ik heb gezegd dat ik op 2 september 2005 wel in Nederland was, maar op 3 september 2005 naar Spanje ben vertrokken. U houdt mij voor dat ik in die verklaring ook heb gezegd [medeverdachte 1] niet te kennen. Omdat ik bang was, heb ik verklaard dat ik [medeverdachte 1] niet kende. Het klopt dat ik pas verklaard heb dat hij mij van Schiphol heeft gehaald, nadat de politie mij had verteld dat ze mij hadden gezien. De voorzitter vraagt mij of ik mij op dat moment al bedreigd voelde door de politie.
De tolk zei dat hij een vriend van het slachtoffer was. Hij was er persoonlijk mee bezig. Ik heb nooit het woord Leiderdorp in de mond genomen. Ik heb wel Leiden genoemd. Mijn betrokkenheid bestond uit niets meer dan aanwezigheid. Ik heb eerst ontkend en daarna pas mijn verhaal verteld, omdat ik een hele tijd illegaal ben geweest. Ik was bang dat ik problemen kreeg als ik verklaarde dat ik erbij was betrokken, vandaar dat ik bleef ontkennen.
De voorzitter zegt mij dat ik in voornoemd verhoor van 19 oktober 2005 heb verklaard dat 'wij' plannen hadden gemaakt om [benadeelde partij 2] te overvallen. Dat zijn de woorden van de politie. De vraag werd gesteld door de tolk en niet door de politie.
De voorzitter zegt mij dat [medeverdachte 1] het initiatief voor het maken van het plan voor de overval, gezien de afgeluisterde telefoongesprekken, bij mij legt. In die telefoongesprekken zou sprake zijn van de vraag wie de schuld in de schoenen geschoven moest krijgen. U moet maar aan [medeverdachte 1] vragen waarom hij dat heeft verklaard.
Ik blijf nog steeds bij mijn verklaring dat ik bij de overval was, maar niet mee de woning ben binnengegaan om mijzelf te beschermen. U vraagt mij waartegen ik mijzelf dan moest beschermen. Het probleem is dat ik niet weet hoe de tolk vertaald heeft. Ik ben onder druk gezet door de politie. Nu sta ik niet onder druk. Nu vertel ik de waarheid."
De raadsman van verzoeker heeft daarop ter zelfde zitting - onder meer - het volgende woord tot verdediging gevoerd:
"De vraag is dus of de stelling dat de verdachte het plan voor de overval heeft beraamd wel klopt. Er bestaat bij mij verwarring met betrekking tot de verschillende verklaringen van de verdachte bij de politie, bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting.(...) Met betrekking tot het verhoor van 19 oktober 2006 bestrijdt de verdachte dat hij toen tegenover de politie heeft verklaard 'we hebben een plan gemaakt'. De verdachte is bij de scherpe ondervraging van uw hof daarover overeind gebleven.()
Nu het overtuigende bewijs ontbreekt dat de verdachte het plan voor de overval heeft bedacht of dat hij wist van de overval, dient hij te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde."
5. Hetgeen door en namens verzoeker in bovengenoemde bewoordingen is verklaard, kan bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, nu ten overstaan van het hof een duidelijk, door argumenten geschraagd standpunt naar voren is gebracht dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. Daarbij wordt in het bijzonder in aanmerking genomen dat door verzoeker is aangevoerd dat: a) hem door de tolk en de politie woorden in de mond zijn gelegd; b) hij erg onder druk is gezet en zich bedreigd voelde door de politie; c) een van de politieagenten heeft gedreigd hem te slaan met een nietmachine als hij niet zou bekennen; en d) de tolk partijdig was en hem intimideerde door te zeggen dat hij een vriend van het slachtoffer was.
6. In het door en namens verzoeker uitdrukkelijk gevoerd verweer wordt dan ook geconcludeerd dat hij zijn verklaring bij politie op 19 oktober 2005 onder dwang heeft afgelegd en dat die dus onjuist is. Hoewel het hof verzoekers verweer dat zijn verklaring niet in vrijheid is afgelegd niet heeft aanvaard, heeft het - blijkens zijn bestreden arrest - verzuimd dat verweer gemotiveerd te weerleggen. Nu het hof deze door verzoeker bestreden verklaring wel voor het bewijs heeft gebezigd, maar niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid, moet dat verzuim ingevolge art. 359, tweede en achtste lid, Sv leiden tot nietigheid (HR 19 februari 2008, LJN BB6217). Het eerste middel is derhalve terecht voorgesteld.
7. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 eerste Pro lid EVRM in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat zijn ingezonden naar de Hoge Raad en de uiteindelijke afdoening door de Hoge Raad niet binnen de de gestelde termijn zal plaatsvinden.
8. Ook dit middel is terecht voorgesteld. Op 28 september 2006 heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De stukken van het geding zijn op 17 oktober 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de door de Hoge Raad op acht maanden bepaalde inzendingstermijn (HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721) met bijna vijf maanden overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
9. Bovendien is een uitspraak op dit cassatieberoep op zijn vroegst in september 2008 te verwachten. Dit betekent een tijdsverloop van ten minste 24 maanden tussen het door de thans in voorlopige hechtenis verkerende verzoeker ingestelde cassatieberoep en de uitspraak daarop, terwijl de behandeling van een zaak per instantie naar het oordeel van Uw Raad binnen 16 maanden dient te zijn afgerond indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt (HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721).
10. In aanmerking genomen dat: a) in de onderhavige zaak verzoeker voorlopig gehecht is; b) de inzendtermijn door het Hof is overschreden; c) de Hoge Raad niet binnen 16 maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak op dit cassatieberoep zal doen; en, d) niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een tijdsverloop van 24 maanden zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak in cassatie niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 eerste Pro lid EVRM. Aan verzoeker behoort daarom een lagere straf te worden opgelegd dan het hof hem heeft opgelegd, voordat sprake was van overschrijding van die termijn in de cassatiefase. Na terugwijzing zal het Hof hiermee rekening moeten houden.
11. Gronden waarop Uw Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot terugwijzing van de zaak teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G