2.5 In zijn arrest van 24 mei 2007 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd op de volgende gronden:
"4.9 De vordering strekt tot schadevergoeding op te maken bij staat. De rechtbank heeft tekortkomingen van Dexia aangenomen op de eerste twee onder 4.4. genoemde punten. Voor toewijzing van de vordering is dan voldoende dat de mogelijkheid dat in verband met die tekortkomingen schade is of zal worden geleden, aannemelijk is. Hiertoe is niet vereist dat reeds vast staat dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de aangenomen tekortkomingen en de gestelde schade zodanig, dat die schade als een gevolg van die tekortkomingen heeft te gelden. De rechtbank is daarvan onder 5.2 van het bestreden vonnis kennelijk wél uitgegaan, zodat zij een onjuiste maatstaf voor de beoordeling van de vordering heeft toegepast. In zoverre zijn de grieven gegrond.
4.10 Voor toewijzing van de vordering is, zoals gezegd, voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Deze aannemelijkheid moet volgen uit hetgeen met betrekking tot de tekortkomingen en de mogelijkheid van schade in verband daarmee is komen vast te staan. Het enkele feit dat Dexia heeft nagelaten van [eiser] een behoorlijk cliëntenprofiel op te maken, wettigt niet de gevolgtrekking dat de mogelijkheid aannemelijk is dat laatstgenoemde schade heeft geleden of zal lijden. Hetzelfde geldt voor het achterwege laten door Dexia van een voldoende waarschuwing aan [eiser] voor de risico's die in diens beleggingen lagen besloten. Uit het een noch het ander volgt immers dat aannemelijk is dat [eiser], indien wél een behoorlijk profiel van hem was opgemaakt respectievelijk wél een voldoende waarschuwing aan hem was gegeven, had belegd op een andere wijze dan hij feitelijk heeft gedaan, in het bijzonder op een wijze waarbij schade zou zijn uitgebleven.
4.11 Hierbij is op de eerste plaats van belang dat [eiser] bij de aanvang van zijn relatie met Dexia reeds een ervaren belegger was, zowel waar het gaat om het beleggen in effecten als waar het gaat om het beleggen met geleend geld: hij had immers reeds eerder, gedurende enkele jaren, belegd in effecten en (mede) met geleend geld door tussenkomst, en met advies, van ING. Bovendien belegde hij tot april 2000 met geleend geld in effecten bij ABN AMRO. Op de tweede plaats is van belang dat [eiser] hoog opgeleid was (hij is immers jurist en is als zodanig werkzaam geweest), zodat hij niet alleen op grond van zijn zojuist genoemde ervaring als belegger maar ook op grond van zijn opleiding en daaraan te relateren denkniveau, in staat moet worden geacht zijn beleggingen, ter zake bestaande keuzemogelijkheden en aan een en ander verbonden risico's te overzien en te begrijpen. Op de derde plaats is [eiser] met Dexia geen beheerrelatie maar een adviesrelatie aangegaan, zodat hij het beheer van zijn belegde vermogen in eigen hand heeft gehouden en, derhalve, bij hem (ook) de verantwoordelijkheid is blijven berusten voor de in het kader van dat beheer genomen beslissingen en de gevolgen daarvan. Dat die beslissingen en de gevolgen daarvan, de hierboven genoemde tekortkomingen van Dexia weggedacht, ánders zouden zijn geweest dan zij feitelijk zijn geweest, volgt niet uit de eenvoudige stelling van [eiser] - in zijn toelichting op de grieven - dat de aard en de samenstelling van zijn beleggingsportefeuille na aanvang van de adviesrelatie met Dexia zijn veranderd (waardoor zijn risico is toegenomen) en is, in het licht van het voorgaande, evenmin op voorhand aannemelijk.
4.12 Ten slotte is van belang dat [eiser] een aan hem gerichte brief van 9 juli 2001 van Dexia, opgesteld naar aanleiding van een gesprek tussen partijen op dezelfde datum, voor akkoord heeft ondertekend (en aan Dexia heeft teruggezonden), waarin onder meer is opgenomen: "Uit ons gesprek blijkt dat u zelf intensief betrokken bent bij de dagelijkse ontwikkelingen op de financiële markten en nadrukkelijk ook bij uw beleggingsportefeuille. De initiatieven tot wijzigingen in uw portefeuille komen voor het overgrote deel van uw eigen hand. Hierdoor is het mogelijk dat de invulling van uw portefeuille afwijkt van de visie van [Dexia]. De risico's verbonden aan het beleggen zijn u bekend en u heeft aangegeven deze financieel te kunnen dragen. Wij willen u de mogelijkheid bieden om op basis van uw eigen visie en expertise invulling te geven aan uw beleggingsportefeuille. (...) Het betekent echter wel dat [Dexia] verder niet betrokken is bij de opbouw en de beleggingsresultaten van een dergelijke portefeuille. (...) Indien u vragen heeft over het voorgaande of het oneens bent met de strekking, verzoek ik u contact op te nemen met ondergetekende. Indien u akkoord bent met de inhoud van deze brief dan verzoek ik u vriendelijk een door u getekend exemplaar retour te zenden. (...)" Uit de ondertekening van deze brief door [eiser] voor akkoord kan niet anders worden begrepen dan dat deze uitdrukkelijk ermee had ingestemd het beheer van zijn beleggingen in eigen hand te houden en daarvoor verantwoordelijkheid te nemen, óók voor zover dit beheer afweek van de visie van Dexia, dat [eiser] zich in dat verband zelf een beeld vormde van relevante (financiële) marktontwikkelingen, dat hij met de risico's van het beleggen bekend was en dat bereid en in staat was die risico's te dragen.
4.13 Gelet op het onder 4.11 en 4.12 overwogene zijn de tekortkomingen van Dexia betreffende het niet opmaken van een behoorlijk cliëntenprofiel van [eiser] en het achterwege laten van een voldoende waarschuwing voor de in diens beleggingen besloten risico's, onvoldoende om aannemelijk te doen zijn dat [eiser] bij uitblijven van die tekortkomingen ánders had belegd dan hij feitelijk heeft gedaan. Bijkomende feiten die, opnieuw in aanmerking genomen het onder 4.11 en 4.12 overwogene, een andere slotsom wettigen, zijn niet (voldoende) gesteld of gebleken. De mogelijkheid dat [eiser] in verband met de zojuist bedoelde tekortkomingen van Dexia schade heeft geleden of zal lijden, is daarom niet aannemelijk geworden, zodat de vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat wegens die tekortkomingen, ook in hoger beroep niet toewijsbaar is. In zoverre zijn de grieven tevergeefs voorgesteld.
4.14 Met grief IV betoogt [eiser] dat Dexia, naast de hierboven bedoelde tekortkomingen en naar de rechtbank heeft miskend, bovendien is tekortgeschoten door hem begin 2001 te adviseren zijn aandelen in Lucent te verkopen en in plaats daarvan aandelen Nortel te kopen, welk advies hij heeft opgevolgd, zodat Dexia ook op deze grond schadeplichtig is.
4.15 Voor het antwoord op de vraag of het hierboven genoemde advies als een tekortkoming van Dexia moet worden aangemerkt, is bepalend of dat advies voldoet aan hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beleggingsadviseur mocht worden verwacht, uitgaande van de ten tijde van het geven van het advies bekende, en daarvoor van belang zijnde, feiten en omstandigheden. Het is beginsel aan degene die zich erop beroept dat het advies niet aan deze maatstaf beantwoordt en die op die grond schadevergoeding vordert, om feiten te stellen en, bij betwisting, te bewijzen die een zodanig oordeel kunnen dragen. Hetgeen [eiser] hiertoe in zijn toelichting op de grief heeft aangevoerd, kan de gestelde tekortkoming niet dragen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.16 Vast staat dat Lucent en Nortel ondernemingen zijn die beide (voornamelijk) in de zogeheten ict-sector actief zijn. Het advies om aandelen Lucent te verkopen en aandelen Nortel te kopen heeft dus geen wijziging teweeggebracht in de sectorale samenstelling van de beleggingen van [eiser] en, hiermee, evenmin in de (risico)spreiding van diens beleggingen over verschillende economische sectoren. Mede in aanmerking genomen dat [eiser] zelf het beheer voerde over zijn belegde vermogen en derhalve zelf de samenstelling van zijn beleggingen bepaalde, valt dan niet, althans niet voetstoots, in te zien dat het bedoelde advies niet door een redelijk bekwaam en redelijk handelend beleggingsadviseur kon worden gegeven. De beweerdelijk te eenzijdige sectorale samenstelling van de portefeuille van [eiser] (wegens oververtegenwoordiging van de ict-sector) doet hieraan niet af, nu deze reeds vóór - en dus ongeacht - het advies bestond, [eiser] daarvoor zelf verantwoordelijk was en het advies, zoals gezegd, in die samenstelling geen wijziging heeft gebracht.
4.17 Het bovenstaande wordt niet naders doordat de aandelen in Nortel kort na de aankoop door [eiser] belangrijk in (beurs)waarde zijn gedaald: het enkele feit dat een belegging die door een beleggingsadviseur verbonden aan een bank zoals Dexia is geadviseerd, naderhand niet profijtelijk is gebleken of niet het door de belegger beoogde of verlangde resultaat heeft gehad, wettigt niet de conclusie dat het advies tot die belegging niet door een redelijk bekwaam en redelijk handelend beleggingsadviseur kon worden gegeven. Dat Nortel vóór het advies een winstwaarschuwing had afgegeven en ná de aankoop van de aandelen in Nortel een tweede winstwaarschuwing is gevolgd, kan niet tot een ander oordeel leiden: de eerste waarschuwing werd ten tijde van het advies reeds in de (beurs)waarde van het aandeel Nortel weerspiegeld, de tweede was ten tijde van het advies nog niet bekend, zodat deze geen feit vormde waarmee bij het geven van het advies rekening gehouden kon worden gehouden. Dit laatste geldt ook voor de koersdaling van het aandeel Nortel ná de aankoop, terwijl een dalende koers daarvóór het koopadvies niet noodzakelijk ondeugdelijk maakt in het licht van de hierboven genoemde maatstaf, reeds omdat de aankoop van een aandeel bij een dalende koers ook de kans meebrengt op winst bij verkoop in geval van koersherstel.
4.18 De slotsom is dat de door [eiser] aangevoerde feiten niet de gevolgtrekking wettigen dat het advies tot verkoop van de aandelen in Lucent en aankoop van aandelen in Nortel, als een tekortkoming van Dexia moet worden aangemerkt. [eiser] kan daarom aan dat advies geen recht op schadevergoeding ontlenen, zodat zijn vordering derhalve ook op dit punt niet toewijsbaar is en de grief gedoemd is te falen. (...)
4.20 [Eiser] heeft in hoger beroep geen - voldoende concrete - feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beoordeling kunnen leiden. Aan zijn - overwegend in algemene bewoordingen gestelde - bewijsaanbod komt derhalve geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat het, als niet ter zake dienend - en overigens ook als te vaag -, wordt gepasseerd. Dit geldt, op dezelfde gronden, ook voor het verzoek onder 38 van de dagvaarding in hoger beroep tot overlegging van geluidsbanden."