ECLI:NL:PHR:2008:BF2278

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01956
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 5 TOSArt. 2 lid 1 TOSArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlies van het Nederlanderschap door van rechtswege verkregen Surinaamse nationaliteit volgens Toescheidingsovereenkomst

Verzoeker stelde op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) een verzoek in tot vaststelling van zijn Nederlanderschap, nadat de rechtbank 's-Gravenhage dit verzoek had afgewezen. Hij ging in cassatie tegen deze beschikking.

De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en concludeerde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat er geen rechtsvragen waren die beantwoording in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten. De zaak werd daarom geschikt voor een verkorte conclusie.

Het middel bestond uit twee klachten. De eerste klacht betrof de uitleg van artikel 5 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname (TOS). Verzoeker stelde dat deze bepaling niet inhoudt dat het van rechtswege verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit tot verlies van het Nederlanderschap leidt. De Hoge Raad verwierp deze klacht en bevestigde dat artikel 2 lid 1 TOS Pro het verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft bij van rechtswege verkrijging van de Surinaamse nationaliteit.

De tweede klacht hield in dat verzoeker, doordat hij geen expliciete of impliciete wens tot verkrijging van de Surinaamse nationaliteit had kenbaar gemaakt en een Nederlands paspoort had ontvangen, de Nederlandse nationaliteit zou hebben verkregen. Ook deze klacht werd ongegrond verklaard omdat noch de TOS noch de RWN een dergelijk gevolg toekent aan deze omstandigheden.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verlies van het Nederlanderschap door verkrijging van de Surinaamse nationaliteit wordt bevestigd.

Conclusie

08/01956
Mr L. Strikwerda
Parket, 11 aug. 2008
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
De Staat der Nederlanden
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 maart 2008, waarbij het door [verzoeker] op de voet van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) ingediende verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van [verzoeker] werd afgewezen, berust op één middel. Het voorgestelde middel kan naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat de Hoge Raad de klachten kan verwerpen met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
2. Het middel behelst, als ik het goed zie, twee klachten.
3. De eerste klacht houdt in dat (de rechtbank heeft miskend dat) art. 5 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname (TOS) geen bepaling bevat dat, indien de Surinaamse nationaliteit van rechtswege is verkregen, hierdoor de Nederlandse nationaliteit verloren gaat.
4. De klacht faalt. Uit art. 2 lid 1 TOS Pro volgt dat het van rechtswege verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit ingevolge de TOS, zoals ten aanzien van [verzoeker] door de rechtbank, onbestreden in cassatie, is vastgesteld, het verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft.
5. De tweede klacht strekt ten betoge dat (de rechtbank heeft miskend dat) dat, nu [verzoeker] noch expliciet noch impliciet te kennen heeft gegeven de Surinaamse nationaliteit te willen verkrijgen, het verstrekken van het Nederlandse paspoort aan hem op 4 april 1990 ertoe leidt dat hij hiermede ook de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
6. De klacht is ongegrond. Geen bepaling van de TOS of de RWN kent aan de door de klacht bedoelde omstandigheid het gevolg toe dat in een geval als het onderhavige de Nederlandse nationaliteit wordt verkregen. De klacht noemt ook geen bepalingen waaruit dit gevolg zou kunnen worden afgeleid.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,