ECLI:NL:PHR:2008:BF2278
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verlies van het Nederlanderschap door van rechtswege verkregen Surinaamse nationaliteit volgens Toescheidingsovereenkomst
Verzoeker stelde op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) een verzoek in tot vaststelling van zijn Nederlanderschap, nadat de rechtbank 's-Gravenhage dit verzoek had afgewezen. Hij ging in cassatie tegen deze beschikking.
De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en concludeerde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat er geen rechtsvragen waren die beantwoording in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten. De zaak werd daarom geschikt voor een verkorte conclusie.
Het middel bestond uit twee klachten. De eerste klacht betrof de uitleg van artikel 5 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname (TOS). Verzoeker stelde dat deze bepaling niet inhoudt dat het van rechtswege verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit tot verlies van het Nederlanderschap leidt. De Hoge Raad verwierp deze klacht en bevestigde dat artikel 2 lid 1 TOS Pro het verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft bij van rechtswege verkrijging van de Surinaamse nationaliteit.
De tweede klacht hield in dat verzoeker, doordat hij geen expliciete of impliciete wens tot verkrijging van de Surinaamse nationaliteit had kenbaar gemaakt en een Nederlands paspoort had ontvangen, de Nederlandse nationaliteit zou hebben verkregen. Ook deze klacht werd ongegrond verklaard omdat noch de TOS noch de RWN een dergelijk gevolg toekent aan deze omstandigheden.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verlies van het Nederlanderschap door verkrijging van de Surinaamse nationaliteit wordt bevestigd.