1 En nog vijf instanties in de zaak van Juresta tegen haar vroegere advocaat mr. H, die Juresta onvoldoende gewaarschuwd zou hebben voor risico's van (dreiging met) executie. Die procedure leidde tot een nederlaag voor Juresta bij arrest van HR 2 februari 2007, nr. C05/302, NJ 2007, 92, LJN AZ4564.
2 Ontleend aan rov. 2.2-2.6 van het (eind-)arrest van het hof van 12 december 2006.
3 Verkort weergegeven in AMI 2000, p. 74.
4 De hieraan voorafgaande correspondentie, zoals vermeld onder rov. 1 van het tussenvonnis, bevindt zich in geen van de in cassatie overgelegde procesdossiers (behoudens hier en daar als productie toegevoegd).
5 Ontleend aan rov. 2.9 van het (eind-)arrest van het hof van 12 december 2006.
6 Ontleend aan rov. 2.10 van genoemd arrest.
7 Ontleend aan rov. 2.11 van genoemd arrest.
8 Advex c.s. hebben daarnaast hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2004, gewezen in de procedure tussen Advex c.s. als eisers in conventie tevens verweerders in reconventie en [betrokkene 1] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie (zaak met hofrolnummer 2005/207). Zie rov. 2.3-2.4 van het (tussen)arrest van het hof van 17 mei 2005. Het (eind-)arrest van het hof van 12 december 2006 ten aanzien van die zaak is onderwerp van de bij de Hoge Raad parallel aanhangige zaak C07/095. De door Advex c.s. uitgebrachte exploten ontbreken in de beide in cassatie overgelegde procesdossiers, maar zijn in cassatie overigens niet van belang.
9 In de zaak met hofrolnummer 2005/208 (en ook in de zaak tegen [betrokkene 1] met hofrolnummer 2005/207) hebben Advex c.s. van grieven gediend (zie hun memorie van antwoord in de zaak met hofrolnummers 2005/196 en 2005/203 onder 3 alsmede rov. 1.8 van het arrest van het hof van 12 december 2006). De memorie van grieven en het antwoord daarop van Juresta kan ik in het A-dossier niet terugvinden. In het B-dossier ontbreken überhaupt de processtukken in hoger beroep. De grieven van Advex c.s. zijn in cassatie overigens niet van belang.
10 Ook de tussen Advex c.s. en [betrokkene 1] gewezen vonnissen van de rechtbank Arnhem van 14 januari 2004 en 26 januari 2005 zijn door het hof bekrachtigd (in de zaak met rolnummer 2005/207).
11 (Eind)arrest van 12 december 2006; de cassatiedagvaarding is uitgebracht op 9 maart 2007.
12 Zie Boonekamp, (losbl.) Schadevergoeding, art. 6:101, aant. 40.
13 A.L.M. Keirse, Schadebeperkinsplicht, diss. 2003, p. 118.
14 Hoewel de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad en de literatuur veeleer betrekking heeft op gevallen waarin onrechtmatig veroorzaakte letsel- of zaakschade aan de orde is, meen ik dat deze gezichtpunten even goed opgaan is een geval als hier aan de orde, waarin de onrechtmatige daad gelegen is in de onrechtmatige executie(-dreiging).
15 A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. 1965, nr. 279 onder a; Keirse, a.w., p. 118-121; Boonekamp, t.a.p., aant. 40 onder a.
16 Bloembergen, a.w., nr. 279 onder b; Keirse, a.w., p. 121-125; Boonekamp, t.a.p, aant. 40 onder b; Oosterveen, 2007, T&C BW, art. 6:101, aant. 4 en aangenomen in HR 9 mei 1986, NJ 1987, 252 m.nt. MS (Staat/Van Gelder), rov. 3.5; HR 1 juli 1993, NJ 1995, 150 m.nt. CJHB (Staat/ NCB), rov. 3.4; HR 24 januari 1997, NJ 1999, 56 m.nt. CJHB (De Ridder/Staat), rov. 3.4.2. Zie ook A-G Bloembergen in zijn conclusie voor laatstgenoemd arrest, die de 'voorrang' van de dader bij een wederzijdse mogelijkheid tot schadebeperking, zoals door Boonekamp in een algemene regel gesteld, ziet als een concretisering van het meer algemene beginsel dat men zich niet tegenover een ander kan beklagen over gedragingen (waaronder nalaten) die men zelf ook verricht.
17 Bloembergen, a.w., nr. 279 onder c; Keirse, a.w., p. 126-127; Boonekamp, t.a.p., aant. 40 onder c. Zie ook HR 5 oktober 1979, NJ 1980, 43 m.nt. GJS (Tauber/Verhey), waarin weliswaar sprake was van een mislukte, maar daarmee nog geen inadequate of niet serieuze poging om de schade te beperken.
18 Bloembergen, a.w., nr. 279 onder e; Keirse, a.w., p. 127-129.
19 Het gaat overigens niet zozeer om een schadebeperkingsplicht - een rechtens afdwingbare verbintenis tot handelen -, maar om een kwestie van toerekening van de schade. Bij niet handelen kan de benadeelde de daardoor ontstane schade niet afwentelen op de aansprakelijke persoon: zie Bloembergen, a.w., nr. 274; Asser-Hartkamp 4-I (2004), nr. 453; Boonekamp, a.w., aant. 39.
20 Brief van 9 januari 1998; productie 6 bij conclusie van eis in hoger beroep.
21 Productie 7 bij conclusie van eis in hoger beroep.
22 Productie 8 bij conclusie van eis in hoger beroep.
23 Conclusie van eis in hoger beroep onder nr. 3.3.3.
24 In deze conclusie nr. 3.8, A-G.
25 Zie Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 344.
26 Pilto/Hidma&Rutgers, Bewijs (2004), nr. 106, p. 177; H.L.G. Wieten, Bewijs (2008), p. 69. Het apart horen van partijen door de deskundigen is op zichzelf niet in strijd met enige rechtsregel, in aanmerking nemende dat partijen na het deskundigenrapport wel in ruime mate de gelegenheid hebben gekregen en hebben gebruikt voor een onderlinge discussie over de inhoud van het rapport: zie HR 12 februari 1993, NJ 1993, 234 (Fernandes/Oostdam).
27 HR 20 september 1996, NJ 1997, 328 m.nt. G.R. Rutgers (Halcion).
28 Zie Pitlo/Hidma&Rutgers, a.w., nr. 106, p. 178 met verwijzing naar EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278 m.nt. HJS (Mantovanelli) en vgl. HR 12 november 2004, nr. C05/137, LJN AP9636 (Tandheelkundige behandeling), rov. 3.6.1-3.6.3.
29 Vgl. HR 7 januari 1994, NJ 1994, 320 (De Vechtlanden/Otter c.s.); HR 15 juni 2001, NJ 2001, 435 (WE/VIB II); HR 12 november 2004 (zie vorige voetnoot). Zie voorts G. de Groot, Informatievergaring en deskundigenonderzoek, TCR 2007, p. 38; R.R. Verkerk, Procesrechtelijke waarborgen voor een betrouwbaar deskundigenonderzoek, NTBR 2007/10, p. 499; Beenders, T&C Rv, 2008, art. 198, aant. 3.
30 De Groot, t.a.p., p. 38; Verkerk, t.a.p., p. 499. Zie ook Rutgers aan het slot van zijn noot onder HR 20 september 1996, NJ 1997, 328 (Halcion).
31 Het rapport is in de procesdossiers te vinden onder nr. 38 en in hoger beroep - zonder bijlagen - overgelegd als productie 4 bij conclusie van eis.
32 In de conclusie van repliek in cassatie wordt onder 3 nog geklaagd over de door Juresta ingediende incidentele conclusie, die door de rechtbank is aangemerkt als een antwoordconclusie na deskundigenbericht. Afgezien van het te late stadium waarin deze klacht wordt opgeworpen - en voor zover hierin al een klacht moet worden gelezen - faalt ook deze klacht op de gronden zoals door het hof in rov. 3.23 uiteengezet, waaronder de mogelijkheid om in hoger beroep alsnog inhoudelijk op het deskundigenbericht te reageren.
33 De motiveringsklacht in de s.t. op p. 13, dat onbegrijpelijk blijft dat het gerechtshof feitelijk oordeelt dat Juresta verantwoordelijk gehouden kan worden voor de kosten van Advex c.s. die zij hebben gemaakt terzake de herstart, terwijl Advex c.s. die kosten zelf in alle gevallen had moeten maken, wordt vanwege het stadium waarin deze wordt aangevoerd buiten beschouwing gelaten.
34 Juresta's conclusie van eis in hoger beroep, p. 24 onder 6.3.
35 Juresta's conclusie van eis in hoger beroep, p. 24 onder 6.6.3.1 en 6.6.3.2.
36 Daarop komt overigens een post 'overige algemene kosten' voor, die niet verder is uitgewerkt en waarmee dus ook niet wordt aangegeven wat daaronder moet worden verstaan.
37 Zie rov. 3.31 van 's hofs arrest en ook HR 5 december 2003, NJ 2004, 74 (Stichting/NHL).
38 Memorie van antwoord, p. 19-20 onder 51.
39 De processtukken in de zaak met deze rolnummers heb ik alleen in de verwante zaak met het (cassatie)rolnummer C07/095 aangetroffen.
40 Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 339; HR 18 april 1986, NJ 1986, 567 m.nt. G, rov. 3.3; HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 196 m.nt. ARB, rov. 3.8 en laatstelijk HR 27 juni 2008, C07/068, RvdW 2008, 683, LJN BD1842, rov. 3.4 (tweede alinea).
41 HR 5 december 2003, NJ 2004, 74, rov. 3.5 (Stichting/NHL).