ECLI:NL:PHR:2008:BF5578
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geldigheid van de inleidende dagvaarding bij onbekende verblijfplaats verdachte
In deze zaak stond centraal de geldigheid van een inleidende dagvaarding die niet op het laatst bekende adres van de verdachte kon worden betekend omdat hij daar niet meer woonde en naar Duitsland was geëmigreerd. De dagvaarding werd vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank omdat geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
Het hof had de dagvaarding nietig verklaard omdat de rechtbank niet had gecontroleerd of de verdachte op het moment van uitreiking en vijf dagen daarna als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stond ingeschreven. De Hoge Raad stelt echter dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door alleen gegevens bekend ten tijde van de betekening te betrekken en niet ook latere gegevens.
De Hoge Raad benadrukt dat de toetsing van de geldigheid van de dagvaarding mede moet geschieden aan de hand van alle relevante gegevens, ook die na betekening bekend worden. Tevens is het niet vereist dat de uitreikende functionaris op het moment van uitreiking een actueel GBA-overzicht overlegt, zolang achteraf kan worden vastgesteld dat de verdachte geen inschrijvingsadres had.
De conclusie van de Advocaat-Generaal leidt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot een nieuwe beslissing door de Hoge Raad op basis van artikel 440 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bepaalt dat de geldigheid van de inleidende dagvaarding mede moet worden beoordeeld aan de hand van gegevens die na betekening bekend zijn geworden.