2.9 Onder iii klaagt het onderdeel dat het hof, indien het toelating van [verzoekster] tot de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen, de in het onderdeel 2.4 opgesomde feiten en omstandigheden had moeten onderzoeken en had moeten motiveren waarom die feiten en omstandigheden er niet toe doen.
De in onderdeel 2.4 bedoelde, door [verzoekster] gestelde feiten en omstandigheden komen goeddeels erop neer dat niet [verzoekster] maar haar voormalige echtgenoot het grootste aandeel in de totstandkoming van de schulden heeft gehad (p. 4/5, eerste, vijfde en negende gedachtestreepje, van het cassatierekest). In dat verband heeft het hof (het oordeel van de rechtbank kennelijk in zoverre onderschrijvend) in rov. 2 eraan gerefereerd dat [verzoekster] en haar voormalige echtgenoot dienaangaande van mening verschillen (waardoor niet van de juistheid van de betrokken stellingen van [verzoekster] kan worden uitgegaan) en dat bovendien onvoldoende verklaring is gegeven wat er met het geld is gebeurd. Bij die stand van zaken behoefde het hof mijns inziens niet nader te motiveren waarom het, ondanks het ontbreken van goede trouw aan de zijde van [verzoekster], haar niet toch tot de schuldsaneringsregeling heeft toegelaten, temeer niet nu de bedoelde stellingen geenszins uitsluiten dat ook [verzoekster] een reëel aandeel in het ontstaan van de betrokken schulden heeft gehad.
Van de overige in onderdeel 2.4 bedoelde stellingen strekt een aantal ertoe dat [verzoekster] althans haar best heeft gedaan de financiële problemen van haar en haar voormalige echtgenoot op te lossen en dat zij daaraan, voor zover haar inkomsten dat toelieten, zoveel mogelijk heeft bijgedragen (p. 4/5, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende gedachtestreepje). Kennelijk heeft het hof die inspanningen niet voldoende geacht om toelating van [verzoekster] tot de schuldsaneringsregeling, ondanks het ontbreken van goede trouw, te rechtvaardigen. Het hof, dat die stellingen kennelijk niet heeft miskend (zo heeft het hof in rov. 3 verwezen naar de stellingen van [verzoekster] met betrekking tot een op haar initiatief gestarte maar vervolgens door haar voormalige echtgenoot stopgezette schuldhulpverlening bij de gemeente Alphen aan den Rijn), heeft in rov. 5 daartegenover gesteld dat [verzoekster] en haar voormalige echtgenoot hebben getracht de grote IDM-schuld met behulp van een beleggingsconstructie op te lossen, dat [verzoekster] met de risico's van een dergelijke constructie rekening had moeten houden en dat zij (veel te) gemakkelijk heeft gedacht dat de zaak financieel weer op orde was en dat zij opnieuw weer een aanzienlijk bedrag kon lenen.
Ook het beroep van [verzoekster] op haar persoonlijke omstandigheden (p. 5, achtste en negende gedachtestreepje, van het cassatierekest), meer in het bijzonder op de "hardheid" van de weigering haar (als alleenstaande moeder met twee jonge kinderen) tot de schuldsanering toe te laten, heeft het hof kennelijk onvoldoende geacht om, ondanks het ontbreken van goede trouw, niettemin tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te besluiten. Ook in dat opzicht geldt het oordeel van het hof in rov. 5, slot, dat van feiten en omstandigheden die niettemin tot toewijzing van haar verzoek zouden kunnen leiden, op dit moment nog niet is gebleken.
Of in een geval als het onderhavige aan het ontbreken van goede trouw dient te worden voorbijgegaan, hangt ten slotte af van vaststellingen en waarderingen van feitelijke aard die aan de feitenrechter zijn voorbehouden en die in cassatie niet op hun juistheid maar slechts op hun motivering kunnen worden getoetst. Nu, in verband met het voorgaande, het hof mijns inziens niet een onvoldoende of onbegrijpelijke motivering kan worden verweten, kan ook de klacht van het onderdeel onder iii niet tot cassatie leiden.