ECLI:NL:PHR:2008:BF8928
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over draagkrachtberekening bij verwerping nalatenschap in partneralimentatiezaak
In deze zaak staat centraal of bij de berekening van de draagkracht van een onderhoudsplichtige partner rekening mag worden gehouden met het vermogen uit een nalatenschap die deze heeft verworpen. De man en vrouw zijn in 1981 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en zijn in scheiding geraakt. De vrouw vordert partneralimentatie en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank kende de vrouw een alimentatie toe van €618 per maand, het hof verhoogde dit bedrag op basis van een fictieve draagkracht waarbij rekening werd gehouden met het vermogen uit de nalatenschap die de man had verworpen.
De Hoge Raad stelt dat de verwerping van een nalatenschap een onverplichte rechtshandeling is die niet in de draagkrachtberekening mag worden betrokken. Dit omdat de man het vermogen uit de nalatenschap feitelijk niet heeft en ook niet meer kan verkrijgen, conform art. 4:190 lid 4 BW Pro. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd hoe op fictief vermogen kan worden ingeteerd en heeft nagelaten te onderzoeken of de man voldoende middelen overhoudt na betaling van de alimentatie.
De Hoge Raad benadrukt dat bij het buiten beschouwing laten van een inkomens- of vermogensvermindering nader onderzoek moet plaatsvinden als daardoor de onderhoudsplichtige onder het bestaansminimum dreigt te komen. De beschikkingen van het hof worden vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling. Hiermee wordt de rechtszekerheid en billijkheid in alimentatiezaken gewaarborgd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling zonder rekening te houden met fictief vermogen uit de verwerpte nalatenschap.