ECLI:NL:PHR:2008:BF8932

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01225
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:256 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep vader niet-ontvankelijk wegens verstreken termijn ondertoezichtstelling

De zaak betreft een cassatieberoep van een vader tegen een beschikking van het hof 's-Gravenhage die een ondertoezichtstelling van zijn vier minderjarige kinderen bekrachtigde. De kinderen verblijven bij de moeder na ontbinding van het huwelijk, en vanwege spanningen en emotionele problemen is een gezinsvoogd aangesteld om verdere schade te voorkomen.

Het cassatieberoep werd binnen de termijn ingesteld, maar na het verstrijken van de oorspronkelijke ondertoezichtstellingsperiode. Hoewel de ondertoezichtstelling inmiddels was verlengd, was deze verlengingsbeschikking niet bij het verzoekschrift gevoegd en werd er geen informatie over de gronden verstrekt.

De Hoge Raad stelt dat een cassatieberoep tegen een beschikking met een termijn voor een maatregel niet-ontvankelijk is als die termijn is verstreken. Een verlenging van de termijn geeft een zelfstandige beschikking die op zichzelf moet worden aangevochten. Omdat er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken, werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd afgezien van inhoudelijke behandeling van de klachten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader is niet-ontvankelijk verklaard wegens het verstrijken van de oorspronkelijke termijn van de ondertoezichtstelling.

Conclusie

08/01225
mr. Wuisman
Parket, 9 oktober 2008
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: Z.B. Gyömörei,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
niet verschenen.
1. Inleiding
1.1 Verzoeker in cassatie is bij een op 18 maart 2008 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift in cassatie gekomen van een beschikking d.d. 19 december 2007 van het hof 's-Gravenhage. In deze beschikking heeft het hof de beschikking d.d. 13 maart 2007 van de Rechtbank bekrachtigd, waarin de vier minderjarige kinderen uit het ontbonden huwelijk van verzoeker tot cassatie met de moeder van de kinderen onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland worden gesteld voor de periode 13 maart 2007 tot 13 maart 2008.
1.2 De achtergrond van de ondertoezichtstelling is, kort gezegd, de volgende. Met betrekking tot de vier, na de echtscheiding bij de moeder vertoevende, kinderen is tussen verzoeker tot cassatie en de moeder een omgangsregeling vastgesteld. Het uitvoering geven daaraan is met zoveel spanningen gepaard gegaan dat het de rechtbank geraden is voorgekomen een gezinsvoogd aan te stellen om verdere emotionele schade bij de kinderen te voorkomen. De bekrachtiging onderbouwt het hof onder meer met: "Uit de aan het hof overgelegde stukken, het verhandelde ter zitting en gelet op de gebeurtenissen in het verleden, de emotionele problemen van de kinderen en de omstandigheid dat de ouders door hun onvermogen om met elkaar te communiceren volledig voorbijgaan aan de belangen van de kinderen ten gevolge waarvan de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd, is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is."
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1 Het cassatieberoep is binnen de daarvoor geldende termijn ingesteld, maar na het verstrijken van de termijn van de ondertoezichtstelling, die door de rechtbank in haar beschikking d.d. 13 maart 2007 was gesteld en door het hof in zijn beschikking d.d. 19 december 2007 is gehandhaafd.
2.2 In zijn verzoekschrift tot cassatie merkt verzoeker tot cassatie onder 3 op: "In casu is ook het eerste jaar van de ondertoezichtstelling, waarop de bestreden Hof uitspraak betrekking heeft, afgelopen. De Rechtbank heeft echter inmiddels de ondertoezichtstelling verlengd met een jaar. Verzoeker heeft er op grond daarvan naar zijn mening belang bij zijn cassatieberoep." De verlengingsbeschikking is niet aan het verzoekschrift gehecht en over de verlenging, bijvoorbeeld over de gronden daarvoor, wordt verder geen informatie verstrekt.
2.3 Het is vaste rechtspraak dat een cassatieberoep tegen een beslissing, waarin een termijn voor een bepaalde maatregel wordt vastgesteld, bij gebrek aan belang voor niet-ontvankelijk moet worden gehouden, indien bij de beoordeling van het tegen die beslissing gerichte beroep blijkt dat de termijn inmiddels is verstreken((1)). Dit wordt niet anders, indien er krachtens een nieuwe beslissing een verlenging van de oorspronkelijke termijn heeft plaatsgevonden((2)). Of de termijnverlenging terecht is geschied, moet beoordeeld worden aan de hand van een toetsing van de verlengingsbeslissing. Deze beslissing kan, zo blijkt uit artikel 1:256 leden Pro 2 en 3 BW niet dan op verzoek worden uitgesproken. Hier steekt de gedachte achter dat over de verlenging wordt beslist op basis van geactualiseerde informatie, waaruit moet blijken of nog aan de wettelijke voorwaarden voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. Dat geeft de verlengingsbeslissing een zelfstandig karakter((3)). Van bijzondere omstandigheden die nopen om in het onderhavige geval toch een andere koers te volgen, blijkt uit het verzoekschrift tot cassatie niet.
2.4 Het voorgaande voert tot de slotsom dat het cassatieberoep voor niet-ontvankelijk moet worden gehouden.
2.5 In het verzoekschrift worden, naar het toeschijnt, geen punten aangestipt, waarvan gezegd kan worden dat zij een bespreking in het kader van een overweging ten overvloede zouden verdienen. Mede om deze reden wordt hier afgezien van een inhoudelijke bespreking van de aangevoerde klachten.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1. Zie onder meer: HR 13 april 2001, NJ 2002, 4 en 5, m.nt. JdB; HR 12 april 2002,LJN: AD9349; HR 1 september 2006, LJN: AX9709; HR 30 november 2007, LJN: BB5547. Zie voorts de conclusie van A-G Langemeijer voor 27 juni 2008, NJ 2008, 372, in welke conclusie onder 2.3 mede naar aanleiding van een klacht in cassatie aandacht wordt geschonken aan het probleem van het aanwenden van rechtsmiddelen tegen maatregelen met een korte geldigheidsduur.
2. Zie HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 66 (i.v.m. een uithuisplaatsing) en HR 21 januari 2005, LJN: AS3518 (ondertoezichtstelling).
3. Zie in dit verband: HR 7 september 2007, NJ 2007, 465; P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2008, blz. 408/409; E.J. Doek in losbladige Kluwer-bundel Personen- en familierecht, artikel 256, aant. 3.