ECLI:NL:PHR:2008:BG1113
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling vaderschap minderjarige met verblijfplaats in Suriname en toepassing conflictenrecht
De zaak betreft een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een minderjarige die haar gewone verblijfplaats in Suriname heeft. De moeder heeft dit verzoek ingediend bij de Nederlandse rechter, maar op grond van de conflictregel van artikel 6 van Pro de Wet conflictenrecht afstamming (Wca) is Surinaams recht van toepassing. Surinaams recht kent echter geen gerechtelijke vaststelling van vaderschap.
De rechtbank en het hof hebben het verzoek afgewezen omdat toepassing van Surinaams recht niet in strijd is met de openbare orde of internationale verdragen zoals het EVRM en het IVRK. De man erkent het vaderschap en is bereid het kind te erkennen volgens Nederlands recht na zijn echtscheiding.
De moeder stelde dat toepassing van Surinaams recht in strijd is met artikel 8 en Pro 14 EVRM en artikel 2 en Pro 3 IVRK, en dat de Nederlandse rechter het vaderschap gerechtelijk moet vaststellen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat er geen concreet en toetsbaar belang van het kind is dat een uitzondering op de conflictregel rechtvaardigt. De positieve verplichtingen uit het EVRM en IVRK leiden niet tot het terzijde stellen van het Surinaamse recht in deze zaak.
Het cassatieberoep wordt verworpen en de bestreden beschikking van het hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen vanwege toepassing van Surinaams recht.