ECLI:NL:PHR:2008:BG1212
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden
De zaak betreft het verzoek van een schuldenaar tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP). De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat de schuldenaar niet te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan van een schuld aan de Belastingdienst. Het hof heeft dit oordeel bekrachtigd en geoordeeld dat de schuldenaar zijn schulden op lichtvaardige wijze heeft laten ontstaan, mede vanwege het ontbreken van schriftelijke afspraken met een derde partij die de schulden veroorzaakte.
De Hoge Raad bespreekt het wettelijke kader van artikel 288 van Pro de Faillissementswet, dat sinds 1 januari 2008 een imperatieve weigeringsgrond bevat voor toelating tot de schuldsaneringsregeling indien de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest. De goede trouw is een gedragsmaatstaf waarbij alle omstandigheden van het geval kunnen worden betrokken. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast en binnen zijn beoordelingsruimte is gebleven.
De Hoge Raad wijst de klacht af dat het hof een verrassingsbeslissing zou hebben gegeven door niet specifiek over de schuld aan de Belastingdienst te oordelen en de schuldenaar niet in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren. De Hoge Raad stelt dat het hof de omstandigheden, waaronder het ontbreken van schriftelijke afspraken, voldoende heeft betrokken en dat de schuldenaar zelf deze feiten aan het hof heeft voorgelegd. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden.