ECLI:NL:PHR:2008:BG1477
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt universele jurisdictie bij foltering en schendingen oorlogsrecht in Afghanistan
De zaak betreft een cassatieberoep tegen veroordelingen voor foltering en schendingen van de wetten en gebruiken van oorlog, gepleegd in Kabul, Afghanistan, tussen 1979 en 1989. De verdachte was lid van de militaire inlichtingendienst KhAD-e-Nezami en werd veroordeeld voor het plegen van ernstige mishandelingen en martelingen van personen die geen actieve rol speelden in de vijandelijkheden.
De Hoge Raad bevestigde dat de Nederlandse rechtbanken universele jurisdictie kunnen uitoefenen over dergelijke oorlogsmisdrijven, ook als deze zijn gepleegd in een niet-internationaal gewapend conflict, en dat de Wet Oorlogsstrafrecht (WOS) deze jurisdictie regelt. De Hoge Raad oordeelde dat de verwijzing naar het gemeenschappelijk artikel 3 van Pro de Geneefse Conventies in de WOS correct is en dat de strafbaarstelling van foltering en mishandeling onder de WOS valt.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad bezwaren van de verdediging over het gebruik van verklaringen die tijdens de IND-procedure waren afgelegd, oordeelde dat deze niet onder dwang waren verkregen en dat de privacy-inbreuk door het delen van IND-bestanden proportioneel was. Ook werden bezwaren over de onvolledigheid van de tenlastelegging, de mogelijkheid tot verdediging en de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen verworpen.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van het gerechtshof dat de verdachte terecht is veroordeeld voor oorlogsmisdrijven gepleegd in Afghanistan en dat de Nederlandse strafrechtelijke vervolging rechtmatig en zorgvuldig heeft plaatsgevonden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor foltering en schendingen van het oorlogsrecht wordt bevestigd.