ECLI:NL:PHR:2008:BG2244
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid bank als effecten-intermediair bij vermeende ordermanipulatie
In deze zaak vorderde eiser een bedrag van circa 800.000 gulden van ABN AMRO Bank wegens een debetsaldo en stelde tevens dat ABN AMRO tekortgeschoten was in haar dienstverlening als effecten-intermediair door manipulatie van effectenorders. De rechtbank wees de vordering van ABN AMRO toe en wees de tegenvordering van eiser af. In hoger beroep stelde het hof een deskundigenbericht in, dat negatief uitviel voor eiser. Het hof oordeelde dat de verwijten onvoldoende onderbouwd waren en bevestigde het vonnis van eerste aanleg.
Eiser klaagde in cassatie onder meer dat informatie over zijn order te vroeg zou zijn doorgegeven, wat tot nadeel zou hebben geleid. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht feitelijk onvoldoende onderbouwd was en dat het hof terecht had geoordeeld dat een vroegtijdige doorgeving van de order niet noodzakelijkerwijs nadelig was. Ook de vordering tot verstrekking van bescheiden werd afgewezen wegens onvoldoende specificatie.
De Hoge Raad concludeerde dat de klachten geen feitelijke grondslag hadden en dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom de verwijten niet aannemelijk waren. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof bleef staan.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.