ECLI:NL:PHR:2008:BG3505

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01979/07 E
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen binnen wettelijke termijn

In deze zaak heeft het gerechtshof te Arnhem verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 2.000 wegens overtreding van de Wet bodembescherming. Namens verdachte is een middel van cassatie ingediend dat klaagt over de verwerping van het verweer dat de verkeerde rechtspersoon is gedagvaard.

De Hoge Raad stelt vast dat het middel niet voldoet aan de eisen van art. 437 Sv Pro, omdat het geen stellige en duidelijke klacht bevat over een rechtsregel of vormvoorschrift. Bovendien is het middel niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman ingediend, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is.

De inhoudelijke klacht richt zich op de vraag of de juiste rechtspersoon is gedagvaard, waarbij het hof heeft geoordeeld dat verdachte en niet [A] Holding B.V. de strafrechtelijk verantwoordelijke is. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op de bewijsmiddelen, waaronder het feit dat verdachte opdrachtgever was van bodemonderzoek en door de gemeente als verantwoordelijke werd aangemerkt.

De conclusie van de Procureur-Generaal is primair gericht op niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep en subsidiair op verwerping van het beroep. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-indiening van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 01979/07 E
Mr Jörg
Zitting 4 november 2008
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem wegens overtreding van de Wet bodembescherming veroordeeld tot een geldboete van € 2000,00.
2. Namens verzoeker heeft F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Blijkens de toelichting klaagt het middel over 's hofs verwerping van het verweer dat de verkeerde rechtspersoon is gedagvaard.
4. De vraag rijst direct of hier wel gesproken kan worden van een middel van cassatie. De toelichting houdt weliswaar in dat de overweging van het hof onjuist is maar bevat verder een herhaling van feitelijkheden daarop neerkomende dat het Openbaar Ministerie de verkeerde rechtspersoon heeft gedagvaard omdat volgens de verdediging [A] Holding B.V. had moeten worden gedagvaard. Uit de toelichting valt de grief op te maken dat niet naar de eigenaar, [betrokkene 1] is geluisterd, die zou hebben aangegeven dat [A] Holding B.V. en niet [verdachte] de kwade genius is. Dit is echter een grief die is gericht tegen een opvatting van de opsporings- en vervolgingsinstanties over het daderschap, terwijl het hof zich wel degelijk over de door de raadsman ter terechtzitting opgeworpen vraag heeft gebogen of de juiste rechtspersoon is gedagvaard. Waarom het oordeel van het hof niet juist zou zijn wordt in middel noch toelichting aangegeven. Wel worden op onnavolgbare wijze verschillende andere dingen opgeschreven. Reeds het middel, dat luidt:
"Het recht is geschonden, en/of naleving van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften is verzuimd, doordat het Gerechtshof heeft verklaard dat:
`- Bewezenverklaring:
Door wettige bewijsmiddelen, ...
... Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.000,- (tweeduizend euro)'"
Naar mijn mening voldoet het middel niet aan de eisen die aan een middel worden gesteld om te mogen gelden als een middel als bedoeld in art.437 Sv Pro. Dat leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
5. Voor het geval Uw Raad van oordeel is dat hier wel gesproken kan worden over een middel van cassatie in de zin van art. 437 Sv Pro, geef ik 's hofs beslissing zoals opgenomen in het arrest weer:
"De raadsman voert aan dat de verkeerde rechtspersoon is gedagvaard. De grond waar het in deze kwestie om gaat is namelijk eigendom van [A] Holding B.V.
Dit verweer wordt verworpen. Bij de vraag wie, welke rechtspersoon, als verdachte moest worden aangemerkt mocht het openbaar ministerie zich laten leiden door het feit dat, zoals uit het dossier blijkt, verdachte wel en [A] Holding B.V. geen werknemers in dienst heeft en dat verdachte opdracht heeft gegeven aan het milieu adviesbureau [B] tot het doen van indicatief bodemonderzoek naar de kwaliteit van de grond, terwijl van dergelijke bemoeienis met die grond van de holding niet is gebleken. Het 'Monsternemingsplan grond' van [B] vermeldt met zoveel woorden [verdachte] als opdrachtgever. Uit de brief van de Gemeente Oude IJsselstreek, verzenddatum 8 februari 2005, blijkt dat die gemeente [verdachte] in de grondkwestie verantwoordelijk hield en dat van die zijde of van de holding geen correctie is gekomen. Tegen die achtergrond behoefde het openbaar ministerie niet af te gaan op, laat staan zich te leiden door, de verklaring van [betrokkene 1], de verantwoordelijke persoon 'van beide zaken' ten overstaan van verbalisanten waarop het verweer berust omdat die verklaring geen eenduidige feiten behelst die dwingen tot de conclusie dat in weerwil van het vorenstaande de holding de strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon is en niet verdachte."
6. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat met het adres [a-straat 1] in [plaats] twee besloten vennootschappen staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, te weten [A] Holding B.V. en [verdachte] Beide vennootschappen hebben hetzelfde bestuur. Uit de bewijsmiddelen is voorts af te leiden dat in deze kwestie is opgetreden uit naam van [verdachte] 's Hofs verwerping van het verweer dat het OM slechts de rechtspersoon [A] Holding B.V. mocht dagvaarden getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op de bewijsmiddelen ook zeker niet onbegrijpelijk. Wie zich bedient van verschillende B.V.'s moet ze bij het dagelijks handelen zelf wel goed uit elkaar houden.
7. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot primair tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn ingestelde cassatieberoep en subsidiair tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G