ECLI:NL:PHR:2008:BG3590

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03514
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 onder b FwArt. 81 ROArt. 426a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstaan van schulden

De verzoeker heeft bij de Rechtbank Zwolle-Lelystad een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit verzoek werd op 8 april 2008 afgewezen. Het Hof Arnhem heeft dit vonnis op 7 augustus 2008 bekrachtigd. De verzoeker stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.

In het geding stond centraal of de schulden van verzoeker te goeder trouw waren ontstaan, zoals vereist in artikel 288 lid 1 onder Pro b van de Faillissementswet. De verzoeker en zijn echtgenote exploiteerden samen drie horecaondernemingen. Er waren tegenstrijdige verklaringen over de mate van betrokkenheid van verzoeker bij de bedrijfsvoering, hetgeen het hof aanleiding gaf te twijfelen aan de goede trouw van verzoeker.

De Hoge Raad concludeert dat de tegenstrijdige stellingen van verzoeker en zijn echtgenote ertoe leiden dat niet aannemelijk is gemaakt dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan. De klachten van verzoeker tegen het oordeel van het hof worden verworpen. Het cassatieberoep wordt afgewezen met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden.

Conclusie

Rekestnr. 08/03514
mr. J. Spier
Parket 31 oktober 2008
Conclusie inzake
[Verzoeker]
1. Volgens de Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft [verzoeker] (in algehele gemeenschap getrouwd met [echtgenote]) op 9 januari 2008 een verzoekschrift ingediend waarin hij heeft verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling. In haar vonnis van 8 april 2008 heeft de Rechtbank dit verzoek afgewezen. [Verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 7 augustus 2008 heeft het Hof Arnhem het bestreden vonnis bekrachtigd.
2. [Verzoeker] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Uit het verzoekschrift blijkt niet welke advocaat het heeft ondertekend. Strikt genomen kan daarom worden betwijfeld of het beroep ontvankelijk is. Ik zou over die twijfel willen heenstappen omdat 1) art. 426a Rv. niet vereist dat een advocaat wordt genoemd en 2) zowel uit de genoegzaam bekende handtekening van mr Garretsen als uit de begeleidende brief waarbij het (één dag later gedateerde) rekest is ingediend, blijkt wie de advocaat is.
3. Volgens de Rechtbank heeft [verzoeker] ter zitting verklaard dat hij samen met zijn vrouw drie verschillende horecaondernemingen heeft geëxploiteerd. In appèl wordt niet bestreden dat hij dit in prima heeft verklaard. Blijkens het proces-verbaal heeft hij in appèl verklaard dat hij samen met zijn vrouw de horeca-onderneming te [plaats] heeft gekocht.
4. Blijkens 's Hofs arrest heeft [verzoeker] in appèl geen afstand genomen van de - zoals uit de parallel-conclusie blijkt - tegenstrijdige stellingen van zijn vrouw (rov. 3). Voorts zou hij hebben verklaard dat hij de ondernemingen niet exploiteerde en dat hij er nauwelijks bemoeienis mee had (rov. 7).
5. De onder 3 en 4 vermelde stellingen betreffen het hart van de zaak. Wanneer deze haaks op elkaar staan, kán rechtens niet (meer) worden aangenomen dat aannemelijk is gemaakt dat sprake is van goede trouw als bedoeld in art. 288 lid 1 onder Pro b Fw. Reeds hierop stuiten de klachten af, wat daarvan en van 's Hofs redengeving ook zij. Ten overvloede ga ik kort op de klachten in.
6. Onderdeel 3.8 ([verzoeker] was niet of nauwelijks bij de bedrijfsvoering betrokken) stuit af op hetgeen hierboven onder 3 is vermeld.(1) De onderdelen 3.9, 3.10, 3.13, 3.14 en 3.15 bouwen hierop voort en mislukken op dezelfde grond.
7. Voor zover onderdeel 3.11 al een klacht van [verzoeker] inhoudt, mislukt deze omdat 's Hofs oordeel in de laatste alinea van rov. 3.6, anders dan de klacht, volkomen begrijpelijk is. Bovendien wordt eraan voorbij gezien dat deze rov. ziet op [betrokkene]; de brug met [verzoeker] wordt eerst later geslagen. Ook onderdeel 3.12 loopt daarin vast.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Het strookt ook niet helemaal met hetgeen in het appèlschrift onder 4 is vermeld.