ECLI:NL:PHR:2008:BG3827
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Huurachterstand en aansprakelijkheid verhuurder wegens waterschade in gehuurde woning
De huurder vorderde schadevergoeding en huurvermindering wegens waterschade in zijn gehuurde woning, veroorzaakt door gebreken aan het gehuurde. De waterschade zou in 2002 zijn ontstaan, vóór de inwerkingtreding van het nieuwe huurrecht op 1 augustus 2003. De huurder had de huurbetaling opgeschort, waardoor een aanzienlijke huurachterstand ontstond. De verhuurder vorderde betaling van de achterstallige huur en ontbinding met ontruiming.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van de huurder af, omdat onvoldoende feiten en omstandigheden waren gesteld die een tekortkoming van de verhuurder aannemelijk maakten. Het hof oordeelde ook dat de huurvermindering te laat was gevorderd volgens de vervaltermijn van het nieuwe huurrecht. De huurder stelde in cassatie dat het hof ten onrechte zijn stellingen onvoldoende had meegewogen en dat de bewijslast voor overmacht bij de verhuurder lag.
De Hoge Raad bevestigde dat voor schade en huurvermindering die berusten op vóór 1 augustus 2003 plaatsgevonden feiten het oude huurrecht geldt, waarbij een ruime risicoaansprakelijkheid van de verhuurder bestond. Voor latere feiten geldt het nieuwe recht, met onder meer een toerekenbaarheidseis en een vervaltermijn van zes maanden voor huurvermindering. De Hoge Raad oordeelde dat de huurder onvoldoende feiten had gesteld om een tekortkoming van de verhuurder aannemelijk te maken, en dat het hof de beoordeling van de stellingen niet onbegrijpelijk had gemaakt. Ook de klacht over de bewijslast faalde, omdat eerst voldoende feiten moeten zijn gesteld om het verweer van overmacht te toetsen. De cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De vorderingen van de huurder tot schadevergoeding en huurvermindering worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van tekortkoming verhuurder.