ECLI:NL:PHR:2008:BG5801

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13033 H
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 WAMArt. 467 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening veroordeling wegens ontbreken van verplichte motorrijtuigverzekering

De kantonrechter te Utrecht heeft verdachte op 12 juli 2007 veroordeeld wegens het niet hebben van een verplichte verzekering voor een motorrijtuig met kenteken AA-00-BB op 19 juli 2006. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. Later is door de advocaat van verdachte een aanvraag tot herziening ingediend met een verklaring van een verzekeraar, gedateerd 10 augustus 2007, waaruit blijkt dat op 19 juli 2006 wel een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) van kracht was.

Verdachte had tijdens de terechtzitting verklaard verzekerd te zijn op die datum en had de verzekeraar verzocht dit schriftelijk te bevestigen. De verklaring werd pas na het vonnis ontvangen. De Hoge Raad oordeelt dat het bestaan van deze verklaring niet verenigbaar is met de eerdere bewijzen en dat, indien de kantonrechter hiervan op de hoogte was geweest, hij tot vrijspraak zou zijn gekomen.

Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond, beveelt zo nodig opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde behandeling en beslissing volgens artikel 467, eerste lid, Sv.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Nr. 07/13033 H
Mr Machielse
Zitting 30 september 2008
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. De kantonrechter te Utrecht heeft verdachte bij vonnis op tegenspraak op 12 juli 2007 gewezen voor "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig (voertuig) waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden", veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 subsidiair tien dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tegen dat vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld.
2. Mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, heeft een aanvraag tot herziening van dat vonnis ingediend. De aanvraag berust op de stelling dat de auto met het kenteken [AA-00-BB] op 19 juli 2006 wel verzekerd was. Als bewijsmiddel is bijgevoegd een geschrift gedateerd van 10 augustus 2007, houdende een verklaring ex artikel 34 WAM Pro met als inhoud dat op 19 juli 2006 voor het motorrijtuig voorzien van het kenteken [AA-00-BB] een verzekering van kracht was welke aan de op die datum door of krachtens de WAM gestelde eisen voldeed. Het geschrift meldt de naam van de verzekeraar en het polisnummer.
3. In de aanvrage wordt gesteld dat verdachte ter terechtzitting van de kantonrechter op 12 juli 2007 zou hebben aangegeven dat hij op 19 juli 2006 wel verzekerd was en dat hij op 26 mei 2007 zijn verzekeraar schriftelijk heeft verzocht dit schriftelijk te bevestigen maar dat hij nog steeds in afwachting was van de brief van de verzekeraar. Op 11 augustus 2007 zou verzoeker de brief van de verzekeraar hebben ontvangen.
4. Het bestaan van een artikel-34-WAMverklaring over de verzekering van de auto op 19 juli 2006 is in verband met de vroegere geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar. Als de kantonrechter had geweten dat zo een verklaring kon worden afgegeven zou een veroordeling niet in de rede hebben gelegen, zodat het ernstige vermoeden bestaat dat zodanige wetenschap de kantonrechter tot een vrijspraak voor dit feit zou hebben gevoerd.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de kantonrechter in de rechtbank te Utrecht van 12 juli 2007 zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op de voet van artikel 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden