ECLI:NL:PHR:2008:BG5860

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04607
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet BopzArt. 5 Wet BopzArt. 2 Wet BopzArt. 37a Wet BopzArt. 149 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vereisten voor geneeskundige verklaring bij machtiging voortgezet verblijf volgens Wet Bopz

In deze zaak verzocht de officier van justitie een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende deze machtiging op basis van een geneeskundige verklaring van een niet bij de behandeling betrokken psychiater, die betrokkene echter niet persoonlijk had kunnen onderzoeken vanwege diens weigering.

De Hoge Raad oordeelt dat de wet vereist dat de psychiater betrokkene persoonlijk onderzoekt, tenzij dit door betrokkene wordt verhinderd. In dat geval moet de psychiater in de verklaring uitleggen waarom persoonlijk onderzoek niet mogelijk was en op welke gronden hij desondanks tot zijn oordeel is gekomen. De rechtbank moet vervolgens toetsen of de psychiater redelijkerwijs voldoende onderzoek heeft verricht en of ondanks de beperkingen vaststaat dat betrokkene geestelijk gestoord is en een geval als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz zich voordoet.

De Hoge Raad constateert dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat aan deze vereisten is voldaan en dat zij ten onrechte is uitgegaan van het ontbreken van betwisting omtrent de diagnose. Daarom kan de beschikking niet in stand blijven en wordt de zaak vernietigd en verwezen naar de rechtbank te Assen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf en verwijst de zaak naar de rechtbank te Assen.

Conclusie

08/04607
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 28 november 2008
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
Officier van Justitie te Assen
In deze Bopz-zaak wordt geklaagd dat de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld, onvoldoende heeft gedaan om betrokkene persoonlijk te onderzoeken.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft op 31 juli 2008 de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van thans verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoekschrift was een door de waarnemend geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis ondertekende verklaring gevoegd, die betrokkene heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater die deze verklaring heeft mede ondertekend.
1.2. Omdat betrokkene inmiddels was overgeplaatst naar een psychiatrisch ziekenhuis in Drenthe heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rechtbank te Assen. Die rechtbank heeft op 18 augustus 2008 gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman, en de behandelend psychiater. Bij beschikking van 22 augustus 2008 heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht het dossier aan te vullen met de ontbrekende aantekeningen over de behandeling en het ziektebeloop als bedoeld in art. 37a Wet Bopz. Bij beschikking van 29 augustus 2008 heeft de rechtbank de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van een jaar.
1.3. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het middel klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank onder ogen heeft gezien of de psychiater datgene heeft gedaan wat redelijkerwijs verwacht mocht worden om tot een persoonlijk onderzoek van betrokkene te (kunnen) komen. Evenmin blijkt uit de beschikking dat, en op welke grond, de rechtbank van oordeel is dat de overgelegde geneeskundige verklaring, in weerwil van het ontbreken van een uit direct contact bestaand psychiatrisch onderzoek, een voldoende basis vormt voor de gegeven beslissing. Ter toelichting op deze klachten is nog vermeld dat de raadsman van betrokkene tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg de rechtbank heeft gewezen op deze tekortkoming in de geneeskundige verklaring.
2.2. Indien een machtiging tot voortgezet verblijf wordt verzocht, eist art. 16, lid 4, Wet Bopz dat een verklaring van de geneesheer-directeur wordt overgelegd. Met betrekking tot deze verklaring verklaart art. 16, lid 2, Wet Bopz het bepaalde in art. 5, lid 1, tweede volzin, van de Wet Bopz van overeenkomstige toepassing(1):
"(...) moet worden overgelegd een verklaring van de geneesheer-directeur van het ziekenhuis waarin betrokkene verblijft, die:
a. indien hij niet bij de behandeling betrokken was, betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht of doen onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was, of
b. indien hij bij de behandeling betrokken was, betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft doen onderzoeken door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was."
2.3. In art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz heeft de wetgever kennelijk een onderzoek voor ogen gestaan waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Evenwel kan niet worden aanvaard dat, indien zulk een contact als gevolg van een weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken niet of slechts in een beperkte mate mogelijk is, geen machtiging kan worden verleend. Wel zal in een dergelijk geval de psychiater in zijn verklaring uiteen dienen te zetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in een beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz zich voordoet. De rechtbank zal dan dienen na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Voorts zal de rechtbank dienen na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz zich voordoet(2).
2.4. In de geneeskundige verklaring heeft de psychiater, in antwoord op de vraag (in rubriek 3.b) welke gedragingen en feiten niet door haarzelf zijn waargenomen maar haar door anderen zijn meegedeeld, het volgende aangegeven:
"Bovengenoemde gedragingen en feiten zijn mij meegedeeld door [betrokkene 2], gezondsheidszorgpsycholoog, en behandelverantwoordelijke. Ik kwam op 22-7-08 naar de afdeling, om als onafhankelijk psychiater patient te zien en te adviseren over verlenging van de RM. Patiënt was wel aanwezig maar weigerde mij te spreken. Er werd op mijn verzoek een tweede afspraak gemaakt voor vandaag, 25-7-08. Patiënte was op de hoogte en zou op tijd aanwezig zijn voor het geplande gesprek, maar hij verscheen niet. Op grond van dossiergegevens en mondelinge informatie van de behandelaar en de verpleging adviseer ik, zonder patiënt zelf te hebben kunnen spreken, de RM te verlengen."
Nu de rechtbank niet iets anders heeft vastgesteld, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat de psychiater betrokkene niet persoonlijk heeft onderzocht en niet heeft gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van betrokkene de niet-ontvankelijkheid van het verzoek bepleit vanwege vraagtekens over de diagnose schizofrenie(3).
2.5. De rechtbank is betrekkelijk uitgebreid ingegaan op de stoornis. Zo heeft zij overwogen dat zij, op grond van de overgelegde stukken en gehoord de standpunten ter zitting, geen reden heeft gezien om de inhoud van de geneeskundige verklaring onjuist te achten of daaraan te twijfelen. Daarbij heeft zij opgemerkt dat "de stoornissen als gevolg van het gebruik van middelen onweersproken zijn en dat deze op zichzelf genomen voldoende zijn voor het verlengen van een machtiging tot opname". Vervolgens heeft de rechtbank uit de inhoud van de geneeskundige verklaring afgeleid dat sinds de verstrekking van de vigerende machtiging er geen sprake is van een wezenlijke wijziging in de gezondheidstoestand van betrokkene en dat de stoornis betrokkene nog steeds gevaar doet veroorzaken.
2.6. Voor zover het oordeel steunt op de geneeskundige verklaring is de motivering weliswaar begrijpelijk, maar verdient aandacht dat de geneeskundige verklaring als basis voor de beslissing slechts bruikbaar is, indien is voldaan aan de twee in alinea 2.3 genoemde vereisten. Uit de beschikking blijkt niet dat aan deze twee vereisten is voldaan.
2.7. Voor zover het oordeel steunt op het argument dat in elk geval de stoornissen als gevolg van het gebruik van middelen(4) onweersproken zijn, ook al is de diagnose `schizofrenie' betwist, heeft de rechtbank over het hoofd gezien dat zij niet mocht afgaan op het uitblijven van een betwisting. De regel van bewijsrecht die inhoudt dat de rechter feiten, die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn betwist, als vaststaand moet aannemen (art. 149 Rv Pro) is in rekestzaken van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet (art. 284 lid 1 Rv Pro). De aard van de Bopz-machtigingsprocedure verzet zich ertegen dat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan de eisen van art. 15 Wet Pro Bopz, in het bijzonder de aanwezigheid van een stoornis en het oorzakelijk verband tussen de stoornis en het gevaar, afgaat op het uitblijven van betwisting door of namens de betrokkene.
2.8. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat de rechtbank heeft nagegaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te laten plaatsvinden. Zoals gezegd, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat de psychiater betrokkene niet zelf heeft gesproken en zich dus afhankelijk heeft gemaakt van hetgeen anderen haar hebben meegedeeld omtrent de wel of niet aanwezige bereidheid van betrokkene om aan het psychiatrisch onderzoek mee te werken. Evenmin blijkt uit de beschikking dat, en op welke grond, de rechtbank van oordeel is dat de overgelegde geneeskundige verklaring, niettegenstaande het gemis van een uit direct contact bestaand psychiatrisch onderzoek, een voldoende basis vormt voor de gegeven beslissing. De slotsom is dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Assen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie bijvoorbeeld ook: HR 20 oktober 2006, NJ 2007, 259 m. nt. Leegemaate.
2 Vaste rechtspraak. Zie o.m.: HR 6 november 1998, NJ 1999, 103 (BJ 1998, 60 m.nt. WD); HR 3 november 2000, NJ 2000, 717 (BJ 2000, 59); HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599 (BJ 2002, 45); HR 21 februari 2003, BJ 2003, 20 m.nt. WD; HR 12 december 2003, BJ 2004, 2 m.nt. red.; conclusie A-G voor HR 22 oktober 2004, BJ 2004, 55 m.nt. red. en HR 17 juni 2005, BJ 2005, 24.
3 Beschikking blz. 2. Zie ook het p.-v.: "Ik neem aan dat een dokter zijn patiënt ziet. Ik zet vraagtekens bij de diagnose schizofrenie."
4 De rechtbank doelt hiermee kennelijk op blz. 2 van de geneeskundige verklaring.