ECLI:NL:PHR:2008:BG5860
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vereisten voor geneeskundige verklaring bij machtiging voortgezet verblijf volgens Wet Bopz
In deze zaak verzocht de officier van justitie een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende deze machtiging op basis van een geneeskundige verklaring van een niet bij de behandeling betrokken psychiater, die betrokkene echter niet persoonlijk had kunnen onderzoeken vanwege diens weigering.
De Hoge Raad oordeelt dat de wet vereist dat de psychiater betrokkene persoonlijk onderzoekt, tenzij dit door betrokkene wordt verhinderd. In dat geval moet de psychiater in de verklaring uitleggen waarom persoonlijk onderzoek niet mogelijk was en op welke gronden hij desondanks tot zijn oordeel is gekomen. De rechtbank moet vervolgens toetsen of de psychiater redelijkerwijs voldoende onderzoek heeft verricht en of ondanks de beperkingen vaststaat dat betrokkene geestelijk gestoord is en een geval als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz zich voordoet.
De Hoge Raad constateert dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat aan deze vereisten is voldaan en dat zij ten onrechte is uitgegaan van het ontbreken van betwisting omtrent de diagnose. Daarom kan de beschikking niet in stand blijven en wordt de zaak vernietigd en verwezen naar de rechtbank te Assen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf en verwijst de zaak naar de rechtbank te Assen.