ECLI:NL:PHR:2008:BG6221
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening geurproefzaak wegens onbetrouwbare geuridentificatieproef bij inbraak
In deze zaak is aanvrager veroordeeld voor een inbraak waarbij onder meer bankpassen zijn gestolen. De veroordeling is mede gebaseerd op een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. De Hoge Raad stelt vast dat in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 dergelijke geurproeven zijn uitgevoerd in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet mag kennen, waardoor de betrouwbaarheid van deze proeven ernstig te betwijfelen is.
De geurproef in deze zaak vond plaats op 17 mei 2005, kort na de inbraak op 14 mei 2005. Naast de geurproef was er geen ander bewijsmateriaal dat de betrokkenheid van aanvrager bij de inbraak overtuigend aantoonde. Hoewel aanvrager in het bezit was van twee van de gestolen bankpassen, was het niet uitgesloten dat hij deze heeft geheeld, wat subsidiair ten laste was gelegd.
De Hoge Raad concludeert dat zonder de geurproef de politierechter waarschijnlijk tot vrijspraak zou zijn gekomen voor het primair ten laste gelegde feit. Daarom wordt het herzieningsverzoek gegrond verklaard en wordt de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem voor een nieuwe berechting. De uitkomst van de geurproef speelt geen rol bij het subsidiair ten laste gelegde feit.
De Hoge Raad beveelt tevens, indien nodig, opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter. De zaak benadrukt het belang van correcte uitvoering van geuridentificatieproeven en de gevolgen van onbetrouwbaar bewijs in strafzaken.
Uitkomst: Herzieningsverzoek gegrond verklaard en zaak verwezen naar gerechtshof voor nieuwe berechting zonder rekening te houden met geurproef.