ECLI:NL:PHR:2009:AZ5453
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verlenging navorderingstermijn bij douanefraude met vervalste certificaten van oorsprong
Belanghebbende, oorspronkelijk A B.V. en later X B.V., deed in de periode 1991-1994 aangiften voor invoer van textielproducten met aanspraak op preferentieel tarief op basis van certificaten van oorsprong uit Honduras. Een onderzoek van de Europese Commissie en de Hondurese autoriteiten toonde aan dat de certificaten vals of vervalst waren en niet door bevoegde instanties waren afgegeven. De inspecteur legde daarop uitnodigingen tot betaling op, waarbij het preferentiële tarief werd vervangen door het algemene tarief, resulterend in een aanslag van ruim 2 miljoen euro.
Belanghebbende voerde onder meer aan dat zij onjuist was geïnformeerd over de aard van een zitting, waardoor zij niet aanwezig was bij een inhoudelijke behandeling, en dat de inspecteur al eerder op de hoogte had moeten zijn van een structuurwijziging binnen het concern. Tevens stelde zij dat de strafrechtelijke grondslag voor verlenging van de navorderingstermijn (artikel 171 WID Pro) niet voldeed aan het evenredigheidsbeginsel van het gemeenschapsrecht en dat de verlengde navorderingstermijn in strijd was met het recht op een redelijke termijn volgens het EVRM.
De Hoge Raad oordeelde dat de uitnodigingen tot betaling terecht waren opgelegd aan belanghebbende, ondanks de naamswijziging en structuurwijziging, omdat zij zelf de aangiften had gedaan. De inspecteur was niet eerder op de hoogte van de structuurwijziging bij het opleggen van de aanslagen. De verlengde navorderingstermijn is gerechtvaardigd bij strafrechtelijk vervolgbare handelingen en voldoet aan het evenredigheidsbeginsel. De verlengde navorderingstermijn is geen straf maar een inning van verschuldigde douanerechten, waardoor artikel 6 EVRM Pro niet van toepassing is. Het procesrechtelijke bezwaar over de zitting wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De zaak wordt aanbevolen aan te houden in afwachting van een arrest van het HvJEG over de toepassing van de verlengde navorderingstermijn.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de navordering en verlenging van de navorderingstermijn zijn gegrond.