ECLI:NL:PHR:2009:AZ7921
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing regulier accijnstarief bij onvoldoende bewijs laag tarief gasolie
Belanghebbende, vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats voor minerale oliën, leverde rode gasolie aan afnemers zonder bekende NAW-gegevens en zonder dat deze afnemers beschikten over de vereiste vergunningen. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat het lage accijnstarief niet toepasselijk werd geacht. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigde dat het normale tarief van toepassing was.
In cassatie stelde belanghebbende dat de naheffingsaanslag onvoldoende wettelijke grondslag had, dat artikel 8 van Pro de Structuurrichtlijn onjuist was omgezet, en dat het eisen van NAW-gegevens een onrechtmatige nationale regeling vormde. De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukte dat op grond van de Wet en Europese richtlijnen de accijns wordt geheven bij de uitslag van minerale oliën en dat het tarief wordt bepaald op het moment van uitslag, waarbij de bestemming van het product doorslaggevend is.
De bewijslast rust op de vergunninghouder om aannemelijk te maken dat het lage tarief van toepassing is. Het niet kunnen overleggen van NAW-gegevens betekent niet automatisch dat het lage tarief geldt, maar het ontbreken van voldoende bewijs leidt tot toepassing van het reguliere tarief. De conclusie wijst verder op het belang van effectieve controlemaatregelen ter voorkoming van fraude en misbruik, en verwerpt het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de gemeenschapstrouw.
De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep ongegrond te verklaren en het oordeel van het Hof te bevestigen dat het normale accijnstarief van toepassing is.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het reguliere accijnstarief wordt bevestigd.