ECLI:NL:PHR:2009:AZ7994
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot invordering van omzetbelasting bij onttrekking goederen tijdens grensoverschrijdend douanevervoer
In deze zaak gaat het om de vraag welke lidstaat bevoegd is tot invordering van omzetbelasting bij onttrekking van goederen aan het douanetoezicht tijdens extern communautair douanevervoer binnen de Benelux. De goederen werden vanuit België naar Nederland vervoerd en in Nederland onttrokken aan het douanetoezicht. De Belgische douane startte een invorderingsprocedure, maar Nederland nam deze over.
Belanghebbende betwistte de bevoegdheid van Nederland en stelde dat het Beneluxprotocol, dat België als bevoegd land aanwijst, van toepassing is. De Hoge Raad onderzoekt de toepassing van het communautaire douanerecht (CDW en TCDW) en het Beneluxprotocol. Volgens artikel 215 CDW Pro ontstaat de douaneschuld op de plaats van onttrekking, hier Nederland, en is Nederland bevoegd tot invordering.
Het Beneluxprotocol regelt afwijkende bevoegdheden binnen de Benelux, maar de Hoge Raad stelt dat dit protocol niet meer kan worden toegepast voor de invordering van omzetbelasting, omdat het communautaire douanerecht en de interne markt sindsdien zijn ontwikkeld. De Hoge Raad concludeert dat Nederland terecht de invordering heeft overgenomen en dat de douanewaarde door Nederland zelfstandig mag worden vastgesteld. Het beroep wordt geadviseerd ongegrond te verklaren.
Uitkomst: De Hoge Raad adviseert het beroep ongegrond te verklaren en bevestigt de bevoegdheid van Nederland tot invordering van omzetbelasting.